Werkplaats moet echt zijn

AD Rotterdams Dagblad, 4 september 2015

Werkplaats moet echt zijn

Elk woonhuis heeft zijn eigen pronkstuk. In deze rubriek vertellen bewoners over hun trots. Vandaag: de timmerwerkplaats in miniatuur van Peter Beniest uit Rotterdam.

Werkplaats moet echt zijnTwee werkplaatsen heeft Peter Beniest in zijn hobbykamer. Een ‘gewone’, met alles wat hij nodig heeft en zijn pronkstuk, een ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur. Gemaakt met behulp van de draaibank en de ‘moorddadige’ dremel, waar hij fijn tot heel fijn slijp- en schuurwerk mee verricht. Negen houtklemmen, twintig beitels, zes houtvijlen, een paar schaafies’, zagen, hamers en gutsen fabriceerde hij onder andere voor zijn miniatuurwerkplaats, pronkstuk vanwege de liefde waarmee hij hem maakte. In het Oude-ambachten-en- speelgoedmuseum in Terschuur zag Peter zo’n oude werkbank staan, die hij romantisch vond en deed denken aan zijn tijd op de Technische School. ,,Wat mooi”, dacht hij en besloot er net zo een te maken in het klein.
Geschikt hout heeft Peter altijd op voorraad, van meubels uit het grof vuil, uit de erfenis van een bevriende orgelbouwer of van boomtakken. De plank die hij voor het miniwerkblad gebruikte was perfect van maat en als nieuw, maar hij zaagde hem tot drie planken, plakte die aan elkaar en verfde ze, ,,want het moet echt lijken.” Vervolgens maakte hij de eerste stukkies gereedschap. Hoe? ,,Dat is mijn geheim”, lacht hij, om vervolgens een stukje oude ijzerzaag tot minizaagje te bewerken. Met het slijpen van het beukenhouten handvat en het monteren erbij is dat normaal een klus van een half uur, maar dit proefexemplaar – niet goed genoeg – kost hem hooguit tien minuten. De beitels maakt hij van platgeslagen spijkers. Zijn collectie is zo uitgebreid dat hij er in het echt prima mee uit de voeten zou kunnen.
Hout bewerken is een van Peters vele talenten, de miniatuurwerkplaats een van zijn vele meesterwerken. Her en der in huis prijken ook aardige zelf geschilderde ‘Hollandse Meesters’, een Middeleeuwse draailier die hij renoveert en een modelschip – ,,een jarenproject”, waaraan hij begon ruim voordat hij in 2012, op zijn 59e, vlak na de verhoging van de AOW-leeftijd, na veertig dienstjaren ontslagen werd bij de RET.
Dat hij ontslagen werd, was niet leuk en het AOW-gat baart hem zorgen. Maar”, zegt hij kijkend naar de kleine werkplaats, ,,ik heb nu wel tijd voor dit soort dingen.”

Chief listening officer Corine Jansen: ‘Goede zorg begint met luisteren’

Een bewerking van dit artikel staat in Zorg+Welzijn maart 2015

Wil je weten waar mensen in de zorg echt behoefte aan hebben, dan dien je te luisteren naar hun verhalen, aldus Chief Listening Officer Corine Jansen doet. Meer dan een kwestie van tijd, is luisteren een keuze: ‘Zet je ego op de gang. Iemand vertelt iets niet voor niets.’

AAEAAQAAAAAAAAJ6AAAAJGNiYTNkY2QzLTNhOGItNDI3Ni04ZmZkLTc1NDZjZTgxOTM1YQCorine Jansen bracht jaren van haar leven in ziekenhuizen door. Vooral als naaste van zieke familieleden. Ze had met talloze dokters te maken, alle kanten van het spectrum tussen goed en minder goed. Te vaak kregen zij en haar familieleden geen antwoord op de voor hun belangrijskte vragen, zoals ‘Hoe ziet dat eruit, ‘nog maar drie maanden te leven?’ Toen Lucien Engelen van het Radboudumc in Nijmegen Jansen in 2009 vroeg om met hem een innovatiecentrum op te zetten, aarzelde ze geen moment. Ze werd Nederlands eerste Chief Listening Officer. In ruim vijf jaar, beluisterde ze honderden verhalen. ‘Artsen en bestuurders van het ziekenhuis realiseerden zich dat zij te vaak niet weten waar patiënten behoefte aan hebben. Hoe komt het, dat mensen tevreden kunnen zijn over de zorg als een operatie is mislukt en klagen als ze beter worden? De verhalen geef ik door, zonder conclusies of advies. Ze staan op zichzelf.’
Afgelopen zomer van 2014 werd Jansen zelf patiënt. Ze heeft de ziekte van Menière, een chronische aantasting van het middenoor, met ernstige duizeligheid, evenwichtsproblemen oorsuizen en, op den duur, gehoorverlies, tot gevolg. ‘Het eerste wat ik dacht was: ‘daar gaat mijn baan’. Ik heb minder energie en die wil ik niet besteden aan het dagelijks reizen vanuit mijn woonplaats Breda naar Nijmegen. Ik werk nu alleen nog vanuit mijn bedrijf JoConnect. Verder had ik geen idee. Alle kennis die ik over goede zorg in mijn hoofd heb, kon ik opeens niet meer bereiken. Het duurde maanden voordat ik mezelf hervond. Dat deed ik door heel veel te mailen met mijn arts. Over mijn vragen, wat het voor mij betekent om, op mijn 46e, chronisch ziek te zijn, het vooruitzicht om slechthorend te worden. Ik bleek allergisch voor bepaalde medicijnen die mij zouden kunnen helpen. De ziekte van Menière is niet dodelijk, maar vooral heel vervelend, dus zocht ik met mijn arts manieren om ermee om te gaan. Ik ben meer gaan sporten, gezonder gaan eten en vind steun in de Stoïcijnse levensfilosofie. Stoïcisme gaat ervan uit dat alles in de wereld op voorhand bepaald is, in overeenstemming met de natuur. En dat de mens vrij is in zijn reactie op hetgeen hem overkomt. Een belangrijk punt, volgens Jansen. ‘Door zelf te kiezen hoe je reageert, ben je in staat om een gelukkig leven te leiden.’
Zoals haar arts en zij het aanpakten, zo hoort het, volgens Jansen. Jansen schoolde zich in Narrative medicine, in de Verenigde Staten een academisch vakgebied. Het uitgangspunt: goede zorg begint met luisteren, in de betekenins van het willen begrijpen van de mens achter de patiënt. Jansen: ‘Niemand is alleen patiënt, maar bijvoorbeeld ook ouder, kind, buurvrouw, muziekliefhebber, onderwijzer. Iemands verhaal geeft je informatie over zijn sociale context, referentiekader, wat hem raakt. Op basis daarvan kun je het hebben over zijn idee van kwaliteit van leven en over welke behandeling daar het beste bij aansluit. Hoe kun je mensen keuzes laten maken, als zij niet weten wat de consequenties zijn van de eventuele behandelingen en/of medicijnen?’
De professionele luisteraar realiseert zich dat weinig professionals in de zorg of welzijnswereld zoveel tijd hebben om te luisteren als zij. ‘Natuurlijk, ik heb een luxe-positie. Tegelijk vind ik het raar dat er een functie als de mijne bestaat. Hij is in het leven geroepen om een omslag op gang te brengen, humanisering van de zorg, naar een zorgsysteem waarin de patiënt en zijn naaste partner zijn. Waarin het dus niet alleen gaat om onderzoek, bloedwaarden en kostenreductie, maar om mensen die er mogen zijn, met al hun vragen en gevoelens.’ Dat heeft volgens Jansen weinig met tijd te maken. ‘Echt luisteren zit hem in kleine dingen: een aanraking, oogcontact, de vraag ‘Hoe gaat het nou met jou?’ en je openstellen voor wat iemand zegt. Uit onderzoek blijkt, dat als je contact maakt, mensen aan twee à drie minuten genoeg hebben om hun verhaal te doen. Die tijd is er altijd. En op die manier kunnen luisteren, moet een basisvoorwaarde zijn om in de zorg te mogen werken.’
Maar wat als je maar een paar minuten per handeling hebt? ‘Wees duidelijk. Kijk die mevrouw of meneer aan, zeg: ‘Ik heb één minuut om naar u te luisteren.’ Of: ‘Ik luister naar u, dus vertel, maar ik maak ondertussen alvast de tafel schoon.’ Dat begrijpt vrijwel iedereen. En kies elke keer bewust wat het belangrijkste is. Soms is jouw bezoek het hoogtepunt van de dag. Hoe erg is het dan, als iemands huis een keer iets minder schoon is maar hij opgelucht is omdat hij zijn verhaal heeft kunnen doen?’
Luisteren begint met kiezen, volgens Jansen. Kiezen om iemand te willen begrijpen. Kiezen om tijd te maken, hoe beperkt ook. Kiezen om tijd te nemen tussen het ene gesprek en het andere, zodat je niet het verhaal van de een meeneemt naar de ander. Kiezen om je open te stellen, je ego op de gang te zetten. ‘Dat is simpel maar niet eenvoudig. Het vergt dat je je bewust bent van de aannames en overtuigingen waarmee je naar mensen kijkt en dat je die kunt loslaten. Accepteren dat iemands verhaal zijn waarheid is en dat hij iets niet voor niets vertelt. Is zijn waarheid anders dan de jouwe, dan kun je daar tegenin gaan of vragen stellen. Doe je het eerste, dan geef je de ander het gevoel dat je niet in hem geïnteresseerd bent, maar vooral je eigen verhaal wilt vertellen. Dan neemt hij je niet gauw in vertrouwen. Doe je het tweede, dan leer je. Over de ander en wat hij nodig heeft, maar ook in het algemeen. Persoonlijk vind ik dat veel leuker, het verruimt mijn blik op de wereld. Luisteren verrijkt.’
Soms kunnen mensen hun verhaal niet onder woorden brengen. ‘Natuurlijk is dat lastig, want je kunt niet in iemands hoofd kijken. Maar contact maken kan vrijwel altijd. Zo was ik een poosje geleden in een verpleeghuis, bij een mevrouw met dementie. Ik zag muziek van Willy Alberti op haar kamer, zette een muziekje op, hield haar hand vast en zag haar ogen oplichtten. Zoek altijd naar aanknopingspunten om contact te maken. Luisteren doe je niet alleen met je oren, maar ook met je ogen en je hart.’
Dat laatste zegt de luisteraar ook tegen zichzelf, wetende dat ze ooit misschien slechthorend zal zijn. ‘Een hele geruststelling. Wat er ook gebeurd, ik zal altijd luisteraar kunnen blijven.’

‘Ik ben Lynn, en niet alleen mijn hersenletsel’

Dit artikel schreef ik voor het Zorg+Welzijn 12, december 2010. 

Lynn Quekel zat op het gymnasium. Een hersenbloeding veranderde haar toekomst voorgoed. Individueel begeleider Rebecca Versteegen helpt haar een zelfstandig leven op te bouwen. Quekel: ‘Ik kwam in een wereld van mensen met wie iets mis is.’

001_RBIAdam-image-ZWZ16476I01 ‘Er is echt een soort klik tussen ons.’ Lynn Quekel zegt het terloops, als haar individuele begeleider en trainer Rebecca Versteegen even wegloopt. Het “toneelstukje” dat ze zojuist samen opvoerden voor de foto mag weinig representatief zijn voor hoe het gaat als Versteegen bij haar thuis komt, het geeft een indruk van de relatie tussen de twee. Een brief, toevallig van een stapel gepakt, over de bijeenkomst Vrouwen Hogerop, leidt aanvankelijk tot gegiechel. ‘Voordat ik die bloeding had dacht ik altijd: ik kom hogerop’, roept Quekel, 21 jaar. Ze zat op het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam, vierde klas gymnasium, toen zij een hersenbloeding kreeg. ‘Kun je dit lezen?’ vraagt haar begeleidster Lynns nauwkeuriger aandacht, wetende dat het haar moeite kost om te lezen en de kern uit het verhaal te halen. ‘Vrouwen verdienen voor hetzelfde werk gemiddeld minder dan mannen’, leest Quekel voor. ‘Is dat echt zo? Dat vind ik heel erg!’ ‘Wat doen we met deze brief?’, vraagt Versteegen. ‘Hij kan weg.’
‘Ik was aan het rennen voor gym en opeens liep ik mank’, vertelt Quekel over hoe het begon, ‘ik dacht wat is dat nou?’ Maar ik kon niet praten, niet voelen en bijna niet denken.’ De rechterhelft van haar lichaam was verlamd. Nu zijn haar rechterarm en -hand verlamd, maar kan ze wel weer beter lopen. Ze werd naar het ziekenhuis gebracht en twee weken later naar Revalidatiecentrum Amsterdam (RCA, nu opgegaan in Reade), waar ze vier weken bleef. ‘Ik kwam in een wereld van mensen waar iets mis mee is. Ik hoor daar niet bij, dacht ik, over een jaar is het over. Maar het ging niet over. Ik wilde zo snel mogelijk weer naar school. Uiteindelijk heb ik drie jaar geprobeerd mijn school af te maken. Maar ik kon mij niet concentreren en was snel moe. Pas sinds ongeveer anderhalf jaar denk ik: ‘Het is wat het is, hier moet ik het mee doen.’
Sindsdien komt Versteegen, werkzaam bij Heliomare, expertisecentrum voor niet-aangeboren hersenletsel in Amsterdam, tweewekelijks bij haar thuis. De systeemtherapeut van Heliomare, waar Lynns moeder al een tijdje onder behandeling was, adviseerde hen contact te leggen. ‘Lynn was in die tijd afhankelijk van haar moeder, die haar bij veel dingen hielp’, vertelt Versteegen, ‘terwijl ze in een fase zit waarin zij zich los wil maken van haar ouders.’ Maar ook mijn moeder wilde het anders’, zegt Quekel. ‘Die wilde weer eens andere dingen met me bespreken dan ‘Denk je eraan om dit en dat te doen?’. Ze wilde een gewone moeder-dochter-relatie.’
Versteegen studeerde fysiotherapie en kwam via een stage bij RCA voor het eerst in contact met cliënten met niet-aangeboren hersenletsel en werd daardoor geraakt. Later heeft zij binnen Heliomare verschillende cursussen gevolgd om zich inhoudelijk in de doelgroep NAH te kunnen verdiepen. Al haar cliënten zitten in de chronische fase. De revalidatie is voorbij, maar eenmaal thuis is geleidelijk aan gebleken dat het niet meer is zoals vroeger. Het geheugen kan aangetast zijn of iemand is veranderd van gedrag en van karakter. Vaak is het een partner of ouder die erop aanstuurt om hulp te zoeken bij het omgaan met die veranderingen.
Zoals zij met al haar individuele cliënten doet, maakte Versteegen met Lynn een dagbestedingsplan, van waaruit zij doelstellingen formuleerden. ‘Ik ga altijd uit van de vraag van de cliënt en de fase waarin hij of zij zich bevindt. Lynn is 21 en kijkt anders aan tegen de breuk in haar leven dan iemand die begin zestig is en bijna met pensioen zou gaan. Ze is bezig met zelfstandig worden. Op zichzelf gaan wonen hoort daarbij, maar ook uitgaan.’ ‘Dansen ja, en sjansen’, lacht Quekel. Sinds haar bloeding had Quekel twee korte relaties. ‘De zoektocht naar wat je wilt in een relatie hoort erbij op die leeftijd’, zegt haar begeleidster, terwijl Quekel knikt. ‘Ook daarover hebben we het soms tijdens de begeleiding. De doelen die we gesteld hebben ondermeer met praktische zaken te maken. In juli is Quekel op zichzelf gaan wonen. Versteegen helpt haar sindsdien met het structuren van haar administratie, zodat deze op orde blijft en zij rust, orde en regelmaat voor zichzelf behoudt.
‘Ik heb de neiging om alles zelf te willen doen’, legt Quekel uit. ‘Maar als ik een brief krijg waaruit ik begrijp dat ik iets moet doen, maar niet begrijp wat, dan beheerst dat mijn hele leven. Ik heb me aangeleerd moeilijke post opzij te leggen.’ Bij ieder bezoek kiest Quekel een poststuk uit dat ze bepreken. Ze verifieert bij haar begeleidster of ze de inhoud begrepen heeft. Soms blijven er dingen onduidelijk. Dan is het een optie dat de cliënte daarover gaat bellen. Soms doen ze een rollenspel om zo’n gesprek te oefenen.
‘Behalve twee interviews gaf Lynn kort geleden zelfs een presentatie in het Engels. Dat komt direct voort uit haar ontwikkeling in de afgelopen anderhalf jaar’ zegt Versteegen. ‘In het begin van de begeleiding had ze vaak moeite om woorden te vinden, vooral omdat ze zich nog niet helemaal op haar gemak voelde. We hebben een vertrouwensband moeten opbouwen, en Lynn heeft vaardigheden aangeleerd en geleerd uit ervaringen. Zo was ze net begonnen met een cognitietraining die ik geef toen zij een woning aangeboden kreeg. Ik zei dat ze ermee rekening moest houden dat er bij een verhuizing zoveel komt kijken dat ze waarschijnlijk geen energie zou hebben voor de training. Maar zij zei: ‘Ik ga het gewoon doen.’ Twee keer kwam ze niet en vroeg ik haar achteraf waarom. Na de derde keer dat ze er niet was kwam ze er zelf mee: de verhuizing alleen was al zwaar genoeg. Het durven toegeven dat de training toen teveel was, is een grote stap die Lynn heeft gezet. Lynn groeit met de dag. Ik heb daar veel bewondering voor en dat laat ik haar ook weten. Ik leg bewust de nadruk op succesmomenten, omdat ik merk dat Lynn opbloeit als ze een complimentje krijgt.’
Hoe ze haar toekomst ziet, kan Quekel niet zeggen, ‘maar ik weet dat ik de wereld wil laten zien dat ik Lynn ben, met mijn hobby’s, mijn vriendinnen, mijn goede en slechte eigenschappen en niet alleen mijn hersenletsel.’Voorlopig kan ze daarbij niet zonder haar begeleider. ‘Ik zou zo opgeslokt worden door dagelijks geregel dat ik de deur niet meer uit kwam. Dankzij haar kan ik ook het leven leiden van een eenentwintigjarige, dus af en toe lol hebben met mijn vriendinnen. Daar ben ik heel blij mee.’