Welkom! en De kracht van het kleine verhaal

Eerlijk is eerlijk, ik heb er wel eens pronkstuklacherig over gedaan, ‘mijn’ rubriek in het AD Rotterdams Dagblad, Pronkstuk. ‘Mijn’ tussen aanhalingstekens omdat ik hem om de week schrijf en hij dus ook van collega-freelance journalisten is. Zo klein, zo simpel, zo ‘wat stelt het nou helemaal voor?’.

Daar ben ik helemaal van terug. Ik houd van het Pronkstuk, zoals de mensen die ik in die rubriek portretteer houden van het onderwerp waar ze mij in kleuren en geuren over vertellen. Soms trots, vaak bescheiden. Laten dat nu vaak de mooiste verhalen zijn. Verhalen waarin het kleine voor het grote staat. Zoals Peter Beniest over zijn zelfgemaakte ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur en Kees Strijk over zijn kopie van Picasso’s Het hoofd van de Harlekijn, een van de zeven schilderijen die in 2012 werden gestolen uit de Rotterdamse Kunsthal en later door hem gekopieerd. Beide verhalen gaan ook over eigenzinnigheid, geduld, doorgaan na tegenslag, vakmanschap, toewijding en schoonheid.

Gestolen en toch bij elkaar

AD Rotterdams Dagblad 5 juni 2015

Elk woonhuis heeft zijn eigen pronkstuk. In deze rubriek vertellen bewoners over hun trots. Vandaag: de zelfgeschilderde Picassokopie van Kees Strijk uit Oud-Beijerland.

Gestolen en toch bij elkaarKees Strijk las het in de krant van 16 oktober 2012: zeven schilderijen gestolen uit de Rotterdamse Kunsthal. ,,Onvoorstelbaar”, vindt hij. Tegelijk zo bijzonder, dat hij de wist waar hij de komende tijd dagelijks mee bezig zou zijn. Hij zocht op internet afbeeldingen van alle zeven schilderijen, projecteerde die op doeken en begon ze te kopiëren. Over het resultaat is hij te spreken. ,,Mijn bruggen zijn strakker dan die van Monet. Wat niet wil zeggen beter. Hoe Monet licht in zijn schilderijen kreeg, is zo onvoorstelbaar knap.” En wat Picasso’s ‘Het hoofd van de harlekijn’ betreft, het origineel van Strijks pronkstuk: ,,dat komt duidelijk uit het hoofd van iemand die wil afwijken van het bestaande. Hoe kom je erop om iemand zo belachelijk af te beelden? Waarom zit het rechteroog hoger dan het linker? Het is een clown die mensen moet vermaken, maar zo een zielige figuur. Een mooie vrouw mooi schilderen is ook knap, maar dit is anders. Dit moet je maar bedenken. Picasso bedacht dat en ik niet. Daarom was hij een kunstenaar en ben ik een geoefend amateur.
Strijk schildert al bijna een halve eeuw. Al jaren legt hij zich toe op het kopiëren van schilderijen van bekende kunstenaars. ,,Het is een goede manier om mijn techniek te verbeteren en op peil te houden. En dat doe ik, omdat je, als je techniek beheerst, heel veel kunt schilderen. Ook als je geen kunstenaar bent.” Of hij een schilderij mooi vindt, is niet het belangrijkste criterium om het na te maken. ,,’De vrouw met de gesloten ogen’, van Lucian Freud, dat ook gestolen werd, vind ik niet echt een mooi schilderij. Maar door het na te schilderen heb ik er meer respect voor gekregen.”
Strijk schildert zoveel, dat vrijwel iedereen om hem heen wel schilderijen van hem in huis heeft. Maar de kopieën van de zeven gestolen schilderijen doet hij niet gauw weg. ,,Ik vind het bijzonder dat de schilderijen er niet meer zijn en ik ze toch heb. Alle zeven bij elkaar. Alleen als iemand ze allemaal wil, zal ik erover denken.”

‘Soms moet je maar gewoon vertellen hoe het was’

Dit artikel schreef ik voor het Magazine Verhalende Journalistiek, uitgegeven ter gelegenheid van de derde Conferentie Verhalende Journalistiek op 19 april 2013.

Judith Koelemeijer over haar schrijfproces

‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’ Judith Koelemeijer waarschuwt me. Een portret van haarzelf in de vorm van een verhaal? Volgens Judith ‘een onmogelijke opdracht.’

Uit vijfendertig bandjes interviewtekst destilleerde Judith Koelemeijer twaalf jaar geleden twaalf hoofdstukken van hooguit twintig bladzijden per stuk, één hoofdstuk per kind van haar oma Maria Zachea. Lang niet alles van wat de twaalf Koelemeijers vertelden pastte in het boek. Veel anekdotes moest ze laten liggen.

Judith zit in haar hoge bureaustoel, haar dochtertje Jana van zes maanden tegen zich aan, op de zolderkamer waar zij dag-in-dag-uit doet wat ze het liefste doet: schrijven, pielen aan zinnetjes, de juiste vorm vinden voor haar verhaal. Hond Pip ligt aan haar voeten, zijn kop onder het bureau.
Met de deadline van haar nieuwste boek in zicht, zijn Judiths uren kostbaar. Bijna twee boeken na ‘et zwijgen van Maria Zachea, ligt het verhaal over de totstandkoming van deze bestseller ver achter haar. Toch wil ik met haar terug in de tijd. Hoe rekende ze af met de standaard journalistieke aanpak van de vijf W’s, wil ik van haar horen. In welke valkuilen tuimelde ze? En hoe kwam ze daaruit? De eerste scène van mijn narratieve portret zat al ruim vóór het interview in mijn hoofd:

Louis Paul Boon
‘Iets knaagt aan de schrijfster als zij de printjes van hoofdstuk drie, versie twee, voor zich op tafel legt. Tevreden had ze deze vroege ochtend haar computer uitgezet. Eindelijk goed, dat hoofdstuk, morgen lekker verder. Ze heeft maar een paar regels gelezen als doordringt dat ze zichzelf voor de gek hield. Met een diepe zucht en een traan brandend in haar linker ooghoek, geeft ze haar bureaustoel een zet. ‘Dit ís geen verhaal, dit is zelfs nauwelijks een reportage. Ik geef het op.’
De gedachte biedt heel even rust. Tot een vervelende stem in haar hoofd haar terughaalt: ‘Hoe vertel ik het mijn vader?’
Die scène krijg ik niet op tafel. Wat ik ook probeer. Niet dat de schrijfster niet graag de lessen deelt die zij de afgelopen twaalf jaar geleerd heeft. Het schrijven van Het zwijgen van Maria Zachea was een worsteling, zegt ze meermalen. Ze wilde de waargebeurde geschiedenis vertellen als ware het een roman. Met personages, scènes, de ontwikkeling van een plot. Maar in die tijd kende ze geen voorbeelden van verhalende non-fictie. Ze ging te rade bij fictie met een meervoudig perspectief, zoals Menuet van Louis Paul Boon, en moest zelf het wiel uitvinden.
Die worsteling valt niet terug te brengen tot specifieke momenten, zegt ze ook. ‘Het was een proces dat zich afspeelde in mijn. Daar valt weinig aan te zien. Ik zou je niet aanraden om dáár een narratief verhaal over te willen schrijven.’ Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Gisteravond heeft ze opgeruimd, zo netjes is haar werkruimte meestal niet. Ze vindt het prettig dat haar kamer eigenlijk te klein is, zodat ze omring wordt door haar werk en alles wat haar daarbij helpt of iinspireert: het eerste manuscript van Hemelvaart, haar nieuwe boek; de plattegrond van Parikia het stadje op het Griekse eiland Paros waar dat zich voor een belangrijk deel afspeelt, boven haar bureau; de dagboeken, schriftjes, fotoalbums, boeken. Hemelvaart is een autobiografisch verhaal, over een tragische gebeurtenis in haar jeugd die veel invloed gehad heeft op haar leven. Judith gebruikt haar oude dagboeken en foto’s om haar herinneringen op gang te brengen. En dan nog weet ze niet precies hoe het allemaal gegaan is. De andere betrokkenen, die ze de afgelopen jaren opzocht, hadden allemaal een heel ander verhaal. Net zoals de kinderen van Maria Zachea zich dezelfde jeugd allemaal anders herinneren.

Scenario
De werking van het geheugen intrigeert de schijfster mateloos. Anna Boom, hoofdpersonage in haar gelijknamige tweede boek, verdringt de herinnering aan een ingrijpende gebeurtenis zo goed, dat ze die decennialang ook werkelijk kwijt is.

Hoe ik er ook naar vraag, het lukt Judith niet om zich een moment tijdens het schrijven van haar eerste boek te herinneren waarin ze tot wanhoop werd gedreven – in elk geval niet met zoveel details dat ik daar mijn hele verhaal aan op kan hangen. In plaats daarvan, neemt ze me mee naar een andere scène, uit de tijd dat ze nog bij de Volkskrant werkte, een paar jaar voordat ze begon met Maria Zachea, haar eerste kennismaking met het schrijven in scènes.

Samen met Vuk, haar vriend, filmmaker uit Sarajevo, zit Judith aan de lange voor het raam van haar appartement aan de Amsterdamse Rechtboomsloot, verwikkeld in een taalknoop. Samen schrijven ze het scenario van zijn tweede Nederlandse film, Het laatste Joegoslavische elftal. Avond na avond tot in de nacht, Vuks favoriete werktijd. Het raam staat meestal open, hoe koud het ook is, want Vuk rookt. Hij denkt in het Servisch, vertelt haar in het Engels wat hij in het scenario wil, zij schrijft dat in het Nederlands op, vertaalt haar tekst in het Engels om die aan hem te laten lezen en hij roept: ‘But that’s not what I mean! ‘Maar wat bedoel je dan wel?’ antwoordt zij en eindeloos discussiërend werken ze verder. Een deel van het scenario bestaat uit scènes, beeldende beschrijvingen van wat er in de film te zien zal zijn. En die schrijven het lekkerst, ontdekt ze.

‘Goed, dit was het materiaal,’ zegt ze en geeft me een uitpuilende ordner, de interviewteksten voor Maria Zachea, uitgetikt door Edith Verhulst van typebureau De Aanslag. ‘Ik zet thee, kan jij daarin neuzen.’
Hiermee begon het. In een eerste versie liet Judith alle geïnterviewden alles letterlijk vertellen, in hun kenmerkende eigen taal. Dat leek haar het mooist. Maar dat was het niet, het verhaal ging kabbelen, werd saai. Dus begon ze de citaten af te wisselen met scènes tot een hybride geheel. Bij Nico, nummer zes in de rij, halverwege het boek, zag ze dat het niet goed was en begon ze opnieuw.

Discipline
Weer waag ik een poging om Judiths leerproces in beeld te vangen.
Ik: ‘Wanneer was dat, waar was je, wat ging er door je heen?’
Judith: ‘Weet ik niet.’
Ik: ‘Ik heb een narratief verhaal beloofd, daar heb ik details voor nodig. Vandaar dat ik blijf zeuren.’
Judith: ‘Begrijp ik, dat doe ik ook altijd. Nu merk ik pas hoe moeilijk het is om die herinneringen boven te halen.’
Vuk komt binnen. Judith wendt zich tot hem. ‘Anke heeft de onmogelijke opdracht een narratief verhaal te schrijven over mijn schijfproces,’ vertelt ze man geamuseerd. ‘Dat is moeilijk’, erkent hij, ‘dat speelde zich af in je hoofd.’ Hij knikt me bemoedigend toe. ‘Eén scène zie ik al voor me.’ Hij ziet iets wat ik niet zie. ‘Judith, elke dag, van half tien ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds, uren aaneen, achter haar computer. Tikkerdetik. Ik kan dat niet, die discipline. Ik werk alleen als ik werken moet. Werk ik niet, dan werk ik ook.’ Hij maakt een draaiende beweging met zijn hand naast zijn hoofd. ‘Denken enzo.’

‘Je hebt een andere strategie nodig,’ zegt de filmmaker met een glimlach. Zoiets moet hij ook hebben gezegd toen Judith bij het hoofdstuk Nico niet meer wist hoe ze verder moest met Maria Zachea. Wat voor elk verhaal geldt, geldt nog meer voor kleine, weinig wereldschokkende verhalen, weet hij uit ervaring: ‘Je moet ze heel goed vormgeven, willen ze tot leven komen.’ Vuk was het die Judith het idee aan de hand deed om de oudste tantes en ooms in Maria Zachea over de jaren vijftig te laten vertellen en de jongsten over de jaren zeventig, zodat het verhaal een spanningsboog kreeg. Als journalist was ze daar zelf nooit op gekomen, erkent ze achteraf.

In de derde versie van het manuscript liet Judith de lange citaten helemaal los en schreef ze zoveel nogelijk in scènes. Daardoor voelde ze zich vrij. Haar vader was geen ‘ik’ meer, maar personage Piet met de rode sokken. Ze kon hem, als dat haar uitkwam voor het verhaal, in een weiland neerzetten en daar één van de vele gedachtes laten denken die hij haar had verteld. Vanaf dat moment ging het schrijven lekker.

Meestal dan. Het laatste hoofdstuk, over oom Guus, schreef ze in de caravan van haar ouders op de Veluwe, muziek van The Doors op de achtergrond, een feest. Jubelend steeg ze op. Om vreselijk hard neer te komen toen, als allerlaatste, het eerste hoofdstuk herschreven moest worden.

Kwartje
Weer was ze op een inspirerende locatie. Met laptop en Vuk werkte ze in een groot huis met uitzicht op de Limburgse heuvels. Maar tante Jo, een ‘altijd-is-alles-gezelligtype’, speelde haar parten. Als alles altijd gezellig is, heb je geen conflict, en zonder conflict geen verhaal. Judith kreeg het personage niet in haar greep, hoe ze ook schreef en herschreef. De paniek sloeg toe. Judith belde uitgeefster Ine Soepnel, die in een tentje op Terschelling zat. Toen zei Vuk: ‘Kom, we gaan het bos in.’ Ze wandelden en praatten. Hoe het kwartje viel, ze weet het niet meer. Maar de oplossing diende zich als vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon te vertellen hoe het was.’

In de trein terug blijft een gedachte aan me knagen. Judith en ik hadden door het park moeten wandelen, zoals we aanvankelijk van plan waren. Weer hoor ik Judiths stem door de telefoon toen we een afspraak maakten. ‘Het park is belangrijk voor me.’
Elke dag begint zij met een wandeling met Pip en Jana. In het park denkt ze na over de scène die ze die schrijven wil. Soms schieten haar zinnen te binnen. Terug thuis, waar de Peruaanse oppas wacht, haast ze zich naar boven. Eenmaal op zolder, leest ze hardop wat ze de vorige dag geschreven heeft. Een uur of twee herschrijft ze, daarna schrijft ze verder. Ik kwam ’s middags, dus na de ochtendwandeling. En ik was zo gespitst op die ene scène, dat ik niet op het parkplan terugkwam.

Hoe verder ik me verwijder van Judith en Vuk, hoe beter ik weet welke verhalen ik mis – niet alleen het moment waarop ze Maria Zachea niet meer zag zitten, ook de liefdesgeschiedenis van de schrijfster en de filmmaker, de kleuren van het park, het tragische voorval in haar jeugd. Op de kadans van de trein dreunen Judiths woorden door mijn hoofd: ‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Thuis maak ik een wandeling in mijn ‘eigen park’. Hoe het kwartje valt, geen idee. Maar de oplossing dient zich vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon vertellen hoe het was.’