De zoektocht die ADD heet

Op 1 november verscheen ‘mijn verhaal’ over ADD in zeven regionale dagbladen, dusdanig bewerkt dat ik mezelf er een beetje in kwijt was. Ik deed het werk van de eindredacteur dus over. Hierbij mijn echte eigen  verhaal.

20161111_091704_resizedBegin 2014 herinnert een psycholoog journalist Anke Welten eraan dat zij waarschijnlijk ADD heeft, een aandachtsstoornis. Het blijkt een belangrijke stap in een jarenlange zoektocht.

‘Mijn hoofd zit vol plannen. Ik denk alleen zo lang na over wat ik als eerste ga doen en waarom, dat er weinig uit mijn handen komt.’ Ik interview een man, dertien jaar jonger dan ik, die, net als ik, ADD heeft en regelmatig mediteert. ‘Nu lukt het me beter om te kiezen. Mijn plannen blijven niet in mijn hoofd hangen, maar ik doe er wat mee.’ Au. Ik hoor mezelf. Sinds vierenhalf jaar zit ik dagelijks twee keer twintig minuten op een meditatiekussentje en tel mijn uitademingen. Dat probeer ik althans. Nog voor ik bij drie ben, zijn mijn gedachten al ergens anders. Dat is normaal, vertel ik meditatiecursisten nu ik zelf in opleiding tot zenleraar ben. ‘Je neemt tijd om te kijken naar wat er in je hoofd gebeurt en doet daar even niets mee. Dat geeft vrijheid. Kun je straks zomaar besluiten iets anders dan anders te doen dan wat als eerste bij je opkwam.’

Ik schrijf dit verhaal in de beslotenheid van een zenschool, waar ik een week verblijf en extra veel mediteer. Even weg van mijn bureau vol stapels ‘to do’ die me afleiden, kan geen kwaad. Helemaal niet, nu ik twee plannen uitvoer die al twee jaar in mijn hoofd zitten: levensverhalen optekenen van andere volwassenen met ADHD en het verhaal optekenen van mijn eigen zoektocht naar wat mij helpt in de omgang met ADD. De afgelopen jaren interviewde ik vaker mensen met ADHD, waar ADD een variant van is, maar geen van die interviews werkte ik uit. Met deze ‘feest-der-herkenningsgenoot’ aan de lijn, weet ik weer waarom: hun verhaal confronteert me met mijn eigen vallen en opstaan, vanaf dat ik een dromerig schoolmeisje was, via de talloze nieuwe starten in banen, bij opdrachtgevers en in relaties, burn-outs, geldzorgen.

Betuttelende hulpverleners

Meer dan mijn eigen verhaal, gaan hun verhalen vaak ook nog eens over verkeerde diagnoses en behandelaars die daar jaren aan vasthouden, medicijnen die vooral depressief maken, betuttelende hulpverleners. Soms maken ze me vooral boos. En meer dan eens betrap ik mezelf op missiedrang: ‘Misschien moet je ook eens gaan mediteren.’ Sorry. Ik weet hoe vervelend het is als mensen je vertellen wat je moet doen.

Volgens de psychiatrie is ADHD een genetisch bepaalde afwijking in de manier waarop hersenen informatie verwerken. Alleen medicijnen kunnen daar echt iets aan veranderen. Gedragstherapie of coaching dienen hooguit om ‘ermee te leren leven.’ Onzin. Mediteren heeft mijn hersenen veranderd. Stilzitten was vijf jaar geleden ondenkbaar voor mij, nu lukt het me prima. Twee keer twintig minuten mediteren geeft me zelfinzicht èn oplossingen voor problemen waar ik tegenaan loop. Zo ontdekte ik, dat ik vrijwel continu to-do-lijstjes in mijn hoofd had, totdat ik besloot om voortaan vóór het mediteren zo’n lijstje op papier te zetten. Zo maak ik ruimte vrij voor andere dingen in mijn hoofd.

Wekelijkse groepslessen versnellen het proces. De huiswerkopdracht om een week ‘te zitten’ op ‘Welke vraag houd me het meeste bezig?’ maakte me duidelijk hoezeer ik in de overlevingsmodus zit. Niet de vraag ‘Hoe lever ik mijn bijdrage aan een betere wereld?’ of ‘Wat wordt het plot van mijn eerste roman?’ houd me een groot deel van de tijd bezig, maar ‘Hoe houd ik vol?’ Een pijnlijke ontdekking, te meer omdat ik op dat moment een leuke baan heb van twintig uur, met een salaris waar ik goed van leven kan – een luxe die ik als freelance journalist niet gewend ben en die de stress van geldzorgen naar de achtergrond deed verdwijnen.

Die baan was alweer even voorbij en de bodem van mijn spaarpot in zicht, toen ik in 2014 aanklopte bij een psycholoog. ‘Ik moet werk zoeken maar ben niet vooruit te branden’, vertelde ik. ‘Dat klinkt als ADD’, zei hij. ‘Je hebt veel stress nodig om in actie te komen, maar tegelijk ben je gauw gestresst en moe. Dat is waar ook, schiet me te binnen. Een andere psycholoog had dat tien jaar eerder ook al eens tegen me gezegd. Toen wist ik me daar geen raad mee en vertrok voor onbepaalde tijd naar Argentinië. Nu is het een opluchting. Eindelijk weet ik waar ik het zoeken moet.

Wat je aandacht geeft groeit

Of ik voel voor medicijnen, vroeg de psycholoog en somde de te verwachten effecten op: betere concentratie en focus, makkelijker prioriteiten kunnen stellen. ‘Precies wat ik aan meditatie heb, maar dan zonder nare bijwerkingen’, zeg ik. Hij reageerde lacherig en gaf me planningstips: ‘als je nu elke vrijdagmiddag vrijhoudt voor je mail?”en ‘Plan telefoontjes in je pauzes.’ Denkt hij werkelijk dat ik – toen 43 – niet al honderdduizend van dat soort tips gehad heb? En dat die, tot mijn grote frustratie, niet werkten? Ik besluit te zoeken naar een hulpverlener die mij serieus neemt, inclusief mijn streven om eigen oplossingen te vinden.

‘Verspil je energie niet aan dingen leren waar je niet goed in bent’, zegt coach Anja Bijker maanden later bij het ADHD-centrum. Ik volg daar een training op basis van neurolinguistisch programmeren, NLP, speciaal voor ‘mensen met een vol hoofd.’ ‘Wat je aandacht geeft groeit. Ga je keihard proberen om beter te leren plannen, dan zal je vooral zien dat je veel moeite hebt met plannen. Besteed je aandacht dus aan dingen waar je energie van krijgt, dan wordt je moeite met plannen vanzelf minder belangrijk. Grote kans dat ze juist daardoor minder moeite meer kosten.”

Maar waar krijg ik energie van? Schrijven. Dat helpt me mijn gedachten te ordenen en ik krijg vaak complimenten voor het resultaat, dus doet mijn zelfvertrouwen goed. Maar tegelijk heb ik er juist tijdens het schrijven last van dat ik snel afgeleid ben en vecht ik keer op keer met deadlines.

Misschien heeft dat ook met iets anders te maken, suggereerde Anja ‘Noem eens iets dat je graag zou willen doen en steeds uitstelt.’ ‘Een boek schrijven.’ ‘En waarom doe je dat niet?’ ‘Geen tijd, te druk, eerst moet er brood op de plank.’ Ze herhaalde de vraag, totdat er geen antwoorden meer kwamen. Zo stuitte ik op overtuigingen die ik me ooit eigen gemaakt had en die me meer dwars zaten dan welk afwijkende stofje in mijn hersenen ook: ‘bang dat ik het niet af maak’, ‘bang dat het niet lukt’ en, na bijna een minuut stilte, ‘Ik ben bang voor straf. Ook als ik zelf vind dat ik het goed doe. Alles wat ik doe kan tegen me gebruikt worden.’

Nogal wiedes dat ik niet vooruit kom. De ontdekking dat ik verlamd word door een angst voor straf, deed mijn hart bonzen, zo hard dat mijn hele lichaam trilde. Net als Anja’s vervolgvraag: ‘Wat als de overtuiging, dat alles tegen je gebruikt kan worden, een belachelijke gedachte is?’ Dat gaf ruimte. Net als de oefeningen en vragen om erachter te komen wat mijn belangrijkste doel en drijfveren zijn. ‘Natuurlijk kun je proberen je omgeving aan te passen, en bijvoorbeeld een werkplek te zoeken waar je niet afgeleid raakt’, hoor ik Anja weer zeggen terwijl ik in de afzondering van de zenschool doortik aan dit artikel, ‘maar of je daar gelukkig van wordt? Weten wat je echt wilt, maakt het makkelijker om keuzes te maken.’ ‘Ik wil doen waar ik goed in ben en wat mij gelukkig maakt, zodat ik als vanzelf ook anderen gelukkig maak.’ Ik heb het nog niet uitgesproken, of het voelt alsof ik tien centimeter gegroeid ben.

Zenleraar

Dat inspireert me verder te ontwikkelen in zen en het lesgeven daarin. Eerst volg ik een opleiding tot mindfulnesstrainer en begin daarna een opleiding tot zenleraar. Mindfulness leert me hoe gedachten, emoties en fysieke gewaarwordingen elkaar direct beïnvloeden. Ik moet onder ogen zien dat ik vaker negatief over mezelf denk dan ik dacht. Maar de vraag ‘Wat als dit een belachelijke gedachte is?’ verdwijnt naar de achtergrond. Het eerste artikel dat ik na de NLP-training schreef, leverde ik dusdanig te laat in, dat het niet meer kon worden gepubliceerd. Dat schoot niet op. Het koste me moeite om de positieve energie vast te houden, merk ik.

Een vriendin wees me op een speciaal dieet voor mensen met AD(H)D: zou dat een bijdrage kunnen leveren? Zij dacht van wel. Dus at ik minder zoet, vet, brood en aardappelen en meer groente, fruit en vis. Ik viel af en voelde me fitter. Maar toen ik chagrijnig werd toen een vriendin me taart voorschotelde, wist ik dat dit niet mijn pad is. Ik besluit te doen waar honderdduizenden mensen met ADHD bij zweren: ik haalde een recept voor ritalin.

Het voelde als capitulatie. Maar al binnen een half uur voelde ik een onbekende ontspanning. Ik was niet meer bang dat wat ik die dag wil doen niet lukken ging. Een paar dagen later was het Oud&Nieuw. Ik had lange dagen doorgewerkt om artikelen af te krijgen, weinig geslapen, dronk een paar wijntjes en was tot lang na de jaarwisseling fit. Dat had ik in geen jaren meegemaakt. Ik kon het nauwelijks bevatten. Zou dit gevoel voor anderen ‘normaal’ zijn?

De pret duurde twee maanden. Met medicijnen voelde het overbodig om pauzes te nemen, te mediteren, gezond te eten en andere dingen te doen waarvan ik met veel moeite geleerd heb dat ze me helpen om ‘het vol te houden.’ Het was alsof ik veertig jaar achterstand mocht inhalen. Ik ging harder werken. Dat eiste zijn tol. Ik ging slechter slapen, kreeg tintelingen in mijn benen, handen en voeten. Ze werden zelfs blauw. En jawel, daar kwamen ze, als in de bijsluiter voorspeld: hartkloppingen.

De pillen dankbaar

‘Helpen de medicijnen?’ informeerde de huisarts toen ik haar vroeg mijn bloeddruk te controleren. ‘Want zo ja, dan kun je besluiten de hartkloppingen voor lief te nemen.’ Dat doe ik niet. Nog niet. Eerst maar eens herstellen en zien wat er gebeurt. Wat schetste mijn verbazing: de tintelingen en hartkloppingen verdwenen, maar de angst ‘dat het niet lukt’ bleef uit. Blijkbaar hielpen de medicijnen me om de afstand te nemen die ik nodig had om de verlammende mantra ‘het zal wel weer niet lukken’ te doorbreken. Het is de vraag of ik die afstand zo had kunnen benutten zonder het dagelijkse mediteren, de training bij het ADHD-centrum, mijn mindfulnessopleiding en de coaching die ik vanuit mijn zenopleiding krijg. Maar doet dat ertoe? Ik ben ze dankbaar, die pillen. Ook zes maanden later, als het laatste doosje dat ik aanbrak nog onaangetast in het medicijnkastje staat.

Soms is hij er weer, de verlamming die ik voel als ik iets doe wat voor mij belangrijk is. Zoals toen ik dit artikel schreef. De versie die ik daags na de deadline inleverde, was honderden woorden langer dan afgesproken. Pas maanden later verscheen het in de krant, dusdanig bewerkt dat ik mezelf er soms in kwijt ben. ‘Onderzoek wat er gebeurt’, moedigde mijn zenleraar me aan terwijl ik op de voorlaatste versie zat te zwoegen. ‘Als je het ene verhaal makkelijk schrijft en het andere verlamt je, dan is daar iets mee.’ Dat deed ik. En schreef na publicatie gewoon een nieuwe versie.

‘Soms moet je maar gewoon vertellen hoe het was’

Dit artikel schreef ik voor het Magazine Verhalende Journalistiek, uitgegeven ter gelegenheid van de derde Conferentie Verhalende Journalistiek op 19 april 2013.

Judith Koelemeijer over haar schrijfproces

‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’ Judith Koelemeijer waarschuwt me. Een portret van haarzelf in de vorm van een verhaal? Volgens Judith ‘een onmogelijke opdracht.’

Uit vijfendertig bandjes interviewtekst destilleerde Judith Koelemeijer twaalf jaar geleden twaalf hoofdstukken van hooguit twintig bladzijden per stuk, één hoofdstuk per kind van haar oma Maria Zachea. Lang niet alles van wat de twaalf Koelemeijers vertelden pastte in het boek. Veel anekdotes moest ze laten liggen.

Judith zit in haar hoge bureaustoel, haar dochtertje Jana van zes maanden tegen zich aan, op de zolderkamer waar zij dag-in-dag-uit doet wat ze het liefste doet: schrijven, pielen aan zinnetjes, de juiste vorm vinden voor haar verhaal. Hond Pip ligt aan haar voeten, zijn kop onder het bureau.
Met de deadline van haar nieuwste boek in zicht, zijn Judiths uren kostbaar. Bijna twee boeken na ‘et zwijgen van Maria Zachea, ligt het verhaal over de totstandkoming van deze bestseller ver achter haar. Toch wil ik met haar terug in de tijd. Hoe rekende ze af met de standaard journalistieke aanpak van de vijf W’s, wil ik van haar horen. In welke valkuilen tuimelde ze? En hoe kwam ze daaruit? De eerste scène van mijn narratieve portret zat al ruim vóór het interview in mijn hoofd:

Louis Paul Boon
‘Iets knaagt aan de schrijfster als zij de printjes van hoofdstuk drie, versie twee, voor zich op tafel legt. Tevreden had ze deze vroege ochtend haar computer uitgezet. Eindelijk goed, dat hoofdstuk, morgen lekker verder. Ze heeft maar een paar regels gelezen als doordringt dat ze zichzelf voor de gek hield. Met een diepe zucht en een traan brandend in haar linker ooghoek, geeft ze haar bureaustoel een zet. ‘Dit ís geen verhaal, dit is zelfs nauwelijks een reportage. Ik geef het op.’
De gedachte biedt heel even rust. Tot een vervelende stem in haar hoofd haar terughaalt: ‘Hoe vertel ik het mijn vader?’
Die scène krijg ik niet op tafel. Wat ik ook probeer. Niet dat de schrijfster niet graag de lessen deelt die zij de afgelopen twaalf jaar geleerd heeft. Het schrijven van Het zwijgen van Maria Zachea was een worsteling, zegt ze meermalen. Ze wilde de waargebeurde geschiedenis vertellen als ware het een roman. Met personages, scènes, de ontwikkeling van een plot. Maar in die tijd kende ze geen voorbeelden van verhalende non-fictie. Ze ging te rade bij fictie met een meervoudig perspectief, zoals Menuet van Louis Paul Boon, en moest zelf het wiel uitvinden.
Die worsteling valt niet terug te brengen tot specifieke momenten, zegt ze ook. ‘Het was een proces dat zich afspeelde in mijn. Daar valt weinig aan te zien. Ik zou je niet aanraden om dáár een narratief verhaal over te willen schrijven.’ Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Gisteravond heeft ze opgeruimd, zo netjes is haar werkruimte meestal niet. Ze vindt het prettig dat haar kamer eigenlijk te klein is, zodat ze omring wordt door haar werk en alles wat haar daarbij helpt of iinspireert: het eerste manuscript van Hemelvaart, haar nieuwe boek; de plattegrond van Parikia het stadje op het Griekse eiland Paros waar dat zich voor een belangrijk deel afspeelt, boven haar bureau; de dagboeken, schriftjes, fotoalbums, boeken. Hemelvaart is een autobiografisch verhaal, over een tragische gebeurtenis in haar jeugd die veel invloed gehad heeft op haar leven. Judith gebruikt haar oude dagboeken en foto’s om haar herinneringen op gang te brengen. En dan nog weet ze niet precies hoe het allemaal gegaan is. De andere betrokkenen, die ze de afgelopen jaren opzocht, hadden allemaal een heel ander verhaal. Net zoals de kinderen van Maria Zachea zich dezelfde jeugd allemaal anders herinneren.

Scenario
De werking van het geheugen intrigeert de schijfster mateloos. Anna Boom, hoofdpersonage in haar gelijknamige tweede boek, verdringt de herinnering aan een ingrijpende gebeurtenis zo goed, dat ze die decennialang ook werkelijk kwijt is.

Hoe ik er ook naar vraag, het lukt Judith niet om zich een moment tijdens het schrijven van haar eerste boek te herinneren waarin ze tot wanhoop werd gedreven – in elk geval niet met zoveel details dat ik daar mijn hele verhaal aan op kan hangen. In plaats daarvan, neemt ze me mee naar een andere scène, uit de tijd dat ze nog bij de Volkskrant werkte, een paar jaar voordat ze begon met Maria Zachea, haar eerste kennismaking met het schrijven in scènes.

Samen met Vuk, haar vriend, filmmaker uit Sarajevo, zit Judith aan de lange voor het raam van haar appartement aan de Amsterdamse Rechtboomsloot, verwikkeld in een taalknoop. Samen schrijven ze het scenario van zijn tweede Nederlandse film, Het laatste Joegoslavische elftal. Avond na avond tot in de nacht, Vuks favoriete werktijd. Het raam staat meestal open, hoe koud het ook is, want Vuk rookt. Hij denkt in het Servisch, vertelt haar in het Engels wat hij in het scenario wil, zij schrijft dat in het Nederlands op, vertaalt haar tekst in het Engels om die aan hem te laten lezen en hij roept: ‘But that’s not what I mean! ‘Maar wat bedoel je dan wel?’ antwoordt zij en eindeloos discussiërend werken ze verder. Een deel van het scenario bestaat uit scènes, beeldende beschrijvingen van wat er in de film te zien zal zijn. En die schrijven het lekkerst, ontdekt ze.

‘Goed, dit was het materiaal,’ zegt ze en geeft me een uitpuilende ordner, de interviewteksten voor Maria Zachea, uitgetikt door Edith Verhulst van typebureau De Aanslag. ‘Ik zet thee, kan jij daarin neuzen.’
Hiermee begon het. In een eerste versie liet Judith alle geïnterviewden alles letterlijk vertellen, in hun kenmerkende eigen taal. Dat leek haar het mooist. Maar dat was het niet, het verhaal ging kabbelen, werd saai. Dus begon ze de citaten af te wisselen met scènes tot een hybride geheel. Bij Nico, nummer zes in de rij, halverwege het boek, zag ze dat het niet goed was en begon ze opnieuw.

Discipline
Weer waag ik een poging om Judiths leerproces in beeld te vangen.
Ik: ‘Wanneer was dat, waar was je, wat ging er door je heen?’
Judith: ‘Weet ik niet.’
Ik: ‘Ik heb een narratief verhaal beloofd, daar heb ik details voor nodig. Vandaar dat ik blijf zeuren.’
Judith: ‘Begrijp ik, dat doe ik ook altijd. Nu merk ik pas hoe moeilijk het is om die herinneringen boven te halen.’
Vuk komt binnen. Judith wendt zich tot hem. ‘Anke heeft de onmogelijke opdracht een narratief verhaal te schrijven over mijn schijfproces,’ vertelt ze man geamuseerd. ‘Dat is moeilijk’, erkent hij, ‘dat speelde zich af in je hoofd.’ Hij knikt me bemoedigend toe. ‘Eén scène zie ik al voor me.’ Hij ziet iets wat ik niet zie. ‘Judith, elke dag, van half tien ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds, uren aaneen, achter haar computer. Tikkerdetik. Ik kan dat niet, die discipline. Ik werk alleen als ik werken moet. Werk ik niet, dan werk ik ook.’ Hij maakt een draaiende beweging met zijn hand naast zijn hoofd. ‘Denken enzo.’

‘Je hebt een andere strategie nodig,’ zegt de filmmaker met een glimlach. Zoiets moet hij ook hebben gezegd toen Judith bij het hoofdstuk Nico niet meer wist hoe ze verder moest met Maria Zachea. Wat voor elk verhaal geldt, geldt nog meer voor kleine, weinig wereldschokkende verhalen, weet hij uit ervaring: ‘Je moet ze heel goed vormgeven, willen ze tot leven komen.’ Vuk was het die Judith het idee aan de hand deed om de oudste tantes en ooms in Maria Zachea over de jaren vijftig te laten vertellen en de jongsten over de jaren zeventig, zodat het verhaal een spanningsboog kreeg. Als journalist was ze daar zelf nooit op gekomen, erkent ze achteraf.

In de derde versie van het manuscript liet Judith de lange citaten helemaal los en schreef ze zoveel nogelijk in scènes. Daardoor voelde ze zich vrij. Haar vader was geen ‘ik’ meer, maar personage Piet met de rode sokken. Ze kon hem, als dat haar uitkwam voor het verhaal, in een weiland neerzetten en daar één van de vele gedachtes laten denken die hij haar had verteld. Vanaf dat moment ging het schrijven lekker.

Meestal dan. Het laatste hoofdstuk, over oom Guus, schreef ze in de caravan van haar ouders op de Veluwe, muziek van The Doors op de achtergrond, een feest. Jubelend steeg ze op. Om vreselijk hard neer te komen toen, als allerlaatste, het eerste hoofdstuk herschreven moest worden.

Kwartje
Weer was ze op een inspirerende locatie. Met laptop en Vuk werkte ze in een groot huis met uitzicht op de Limburgse heuvels. Maar tante Jo, een ‘altijd-is-alles-gezelligtype’, speelde haar parten. Als alles altijd gezellig is, heb je geen conflict, en zonder conflict geen verhaal. Judith kreeg het personage niet in haar greep, hoe ze ook schreef en herschreef. De paniek sloeg toe. Judith belde uitgeefster Ine Soepnel, die in een tentje op Terschelling zat. Toen zei Vuk: ‘Kom, we gaan het bos in.’ Ze wandelden en praatten. Hoe het kwartje viel, ze weet het niet meer. Maar de oplossing diende zich als vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon te vertellen hoe het was.’

In de trein terug blijft een gedachte aan me knagen. Judith en ik hadden door het park moeten wandelen, zoals we aanvankelijk van plan waren. Weer hoor ik Judiths stem door de telefoon toen we een afspraak maakten. ‘Het park is belangrijk voor me.’
Elke dag begint zij met een wandeling met Pip en Jana. In het park denkt ze na over de scène die ze die schrijven wil. Soms schieten haar zinnen te binnen. Terug thuis, waar de Peruaanse oppas wacht, haast ze zich naar boven. Eenmaal op zolder, leest ze hardop wat ze de vorige dag geschreven heeft. Een uur of twee herschrijft ze, daarna schrijft ze verder. Ik kwam ’s middags, dus na de ochtendwandeling. En ik was zo gespitst op die ene scène, dat ik niet op het parkplan terugkwam.

Hoe verder ik me verwijder van Judith en Vuk, hoe beter ik weet welke verhalen ik mis – niet alleen het moment waarop ze Maria Zachea niet meer zag zitten, ook de liefdesgeschiedenis van de schrijfster en de filmmaker, de kleuren van het park, het tragische voorval in haar jeugd. Op de kadans van de trein dreunen Judiths woorden door mijn hoofd: ‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Thuis maak ik een wandeling in mijn ‘eigen park’. Hoe het kwartje valt, geen idee. Maar de oplossing dient zich vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon vertellen hoe het was.’