Chief listening officer Corine Jansen: ‘Goede zorg begint met luisteren’

Een bewerking van dit artikel staat in Zorg+Welzijn maart 2015

Wil je weten waar mensen in de zorg echt behoefte aan hebben, dan dien je te luisteren naar hun verhalen, aldus Chief Listening Officer Corine Jansen doet. Meer dan een kwestie van tijd, is luisteren een keuze: ‘Zet je ego op de gang. Iemand vertelt iets niet voor niets.’

AAEAAQAAAAAAAAJ6AAAAJGNiYTNkY2QzLTNhOGItNDI3Ni04ZmZkLTc1NDZjZTgxOTM1YQCorine Jansen bracht jaren van haar leven in ziekenhuizen door. Vooral als naaste van zieke familieleden. Ze had met talloze dokters te maken, alle kanten van het spectrum tussen goed en minder goed. Te vaak kregen zij en haar familieleden geen antwoord op de voor hun belangrijskte vragen, zoals ‘Hoe ziet dat eruit, ‘nog maar drie maanden te leven?’ Toen Lucien Engelen van het Radboudumc in Nijmegen Jansen in 2009 vroeg om met hem een innovatiecentrum op te zetten, aarzelde ze geen moment. Ze werd Nederlands eerste Chief Listening Officer. In ruim vijf jaar, beluisterde ze honderden verhalen. ‘Artsen en bestuurders van het ziekenhuis realiseerden zich dat zij te vaak niet weten waar patiënten behoefte aan hebben. Hoe komt het, dat mensen tevreden kunnen zijn over de zorg als een operatie is mislukt en klagen als ze beter worden? De verhalen geef ik door, zonder conclusies of advies. Ze staan op zichzelf.’
Afgelopen zomer van 2014 werd Jansen zelf patiënt. Ze heeft de ziekte van Menière, een chronische aantasting van het middenoor, met ernstige duizeligheid, evenwichtsproblemen oorsuizen en, op den duur, gehoorverlies, tot gevolg. ‘Het eerste wat ik dacht was: ‘daar gaat mijn baan’. Ik heb minder energie en die wil ik niet besteden aan het dagelijks reizen vanuit mijn woonplaats Breda naar Nijmegen. Ik werk nu alleen nog vanuit mijn bedrijf JoConnect. Verder had ik geen idee. Alle kennis die ik over goede zorg in mijn hoofd heb, kon ik opeens niet meer bereiken. Het duurde maanden voordat ik mezelf hervond. Dat deed ik door heel veel te mailen met mijn arts. Over mijn vragen, wat het voor mij betekent om, op mijn 46e, chronisch ziek te zijn, het vooruitzicht om slechthorend te worden. Ik bleek allergisch voor bepaalde medicijnen die mij zouden kunnen helpen. De ziekte van Menière is niet dodelijk, maar vooral heel vervelend, dus zocht ik met mijn arts manieren om ermee om te gaan. Ik ben meer gaan sporten, gezonder gaan eten en vind steun in de Stoïcijnse levensfilosofie. Stoïcisme gaat ervan uit dat alles in de wereld op voorhand bepaald is, in overeenstemming met de natuur. En dat de mens vrij is in zijn reactie op hetgeen hem overkomt. Een belangrijk punt, volgens Jansen. ‘Door zelf te kiezen hoe je reageert, ben je in staat om een gelukkig leven te leiden.’
Zoals haar arts en zij het aanpakten, zo hoort het, volgens Jansen. Jansen schoolde zich in Narrative medicine, in de Verenigde Staten een academisch vakgebied. Het uitgangspunt: goede zorg begint met luisteren, in de betekenins van het willen begrijpen van de mens achter de patiënt. Jansen: ‘Niemand is alleen patiënt, maar bijvoorbeeld ook ouder, kind, buurvrouw, muziekliefhebber, onderwijzer. Iemands verhaal geeft je informatie over zijn sociale context, referentiekader, wat hem raakt. Op basis daarvan kun je het hebben over zijn idee van kwaliteit van leven en over welke behandeling daar het beste bij aansluit. Hoe kun je mensen keuzes laten maken, als zij niet weten wat de consequenties zijn van de eventuele behandelingen en/of medicijnen?’
De professionele luisteraar realiseert zich dat weinig professionals in de zorg of welzijnswereld zoveel tijd hebben om te luisteren als zij. ‘Natuurlijk, ik heb een luxe-positie. Tegelijk vind ik het raar dat er een functie als de mijne bestaat. Hij is in het leven geroepen om een omslag op gang te brengen, humanisering van de zorg, naar een zorgsysteem waarin de patiënt en zijn naaste partner zijn. Waarin het dus niet alleen gaat om onderzoek, bloedwaarden en kostenreductie, maar om mensen die er mogen zijn, met al hun vragen en gevoelens.’ Dat heeft volgens Jansen weinig met tijd te maken. ‘Echt luisteren zit hem in kleine dingen: een aanraking, oogcontact, de vraag ‘Hoe gaat het nou met jou?’ en je openstellen voor wat iemand zegt. Uit onderzoek blijkt, dat als je contact maakt, mensen aan twee à drie minuten genoeg hebben om hun verhaal te doen. Die tijd is er altijd. En op die manier kunnen luisteren, moet een basisvoorwaarde zijn om in de zorg te mogen werken.’
Maar wat als je maar een paar minuten per handeling hebt? ‘Wees duidelijk. Kijk die mevrouw of meneer aan, zeg: ‘Ik heb één minuut om naar u te luisteren.’ Of: ‘Ik luister naar u, dus vertel, maar ik maak ondertussen alvast de tafel schoon.’ Dat begrijpt vrijwel iedereen. En kies elke keer bewust wat het belangrijkste is. Soms is jouw bezoek het hoogtepunt van de dag. Hoe erg is het dan, als iemands huis een keer iets minder schoon is maar hij opgelucht is omdat hij zijn verhaal heeft kunnen doen?’
Luisteren begint met kiezen, volgens Jansen. Kiezen om iemand te willen begrijpen. Kiezen om tijd te maken, hoe beperkt ook. Kiezen om tijd te nemen tussen het ene gesprek en het andere, zodat je niet het verhaal van de een meeneemt naar de ander. Kiezen om je open te stellen, je ego op de gang te zetten. ‘Dat is simpel maar niet eenvoudig. Het vergt dat je je bewust bent van de aannames en overtuigingen waarmee je naar mensen kijkt en dat je die kunt loslaten. Accepteren dat iemands verhaal zijn waarheid is en dat hij iets niet voor niets vertelt. Is zijn waarheid anders dan de jouwe, dan kun je daar tegenin gaan of vragen stellen. Doe je het eerste, dan geef je de ander het gevoel dat je niet in hem geïnteresseerd bent, maar vooral je eigen verhaal wilt vertellen. Dan neemt hij je niet gauw in vertrouwen. Doe je het tweede, dan leer je. Over de ander en wat hij nodig heeft, maar ook in het algemeen. Persoonlijk vind ik dat veel leuker, het verruimt mijn blik op de wereld. Luisteren verrijkt.’
Soms kunnen mensen hun verhaal niet onder woorden brengen. ‘Natuurlijk is dat lastig, want je kunt niet in iemands hoofd kijken. Maar contact maken kan vrijwel altijd. Zo was ik een poosje geleden in een verpleeghuis, bij een mevrouw met dementie. Ik zag muziek van Willy Alberti op haar kamer, zette een muziekje op, hield haar hand vast en zag haar ogen oplichtten. Zoek altijd naar aanknopingspunten om contact te maken. Luisteren doe je niet alleen met je oren, maar ook met je ogen en je hart.’
Dat laatste zegt de luisteraar ook tegen zichzelf, wetende dat ze ooit misschien slechthorend zal zijn. ‘Een hele geruststelling. Wat er ook gebeurd, ik zal altijd luisteraar kunnen blijven.’

‘Soms moet je maar gewoon vertellen hoe het was’

Dit artikel schreef ik voor het Magazine Verhalende Journalistiek, uitgegeven ter gelegenheid van de derde Conferentie Verhalende Journalistiek op 19 april 2013.

Judith Koelemeijer over haar schrijfproces

‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’ Judith Koelemeijer waarschuwt me. Een portret van haarzelf in de vorm van een verhaal? Volgens Judith ‘een onmogelijke opdracht.’

Uit vijfendertig bandjes interviewtekst destilleerde Judith Koelemeijer twaalf jaar geleden twaalf hoofdstukken van hooguit twintig bladzijden per stuk, één hoofdstuk per kind van haar oma Maria Zachea. Lang niet alles van wat de twaalf Koelemeijers vertelden pastte in het boek. Veel anekdotes moest ze laten liggen.

Judith zit in haar hoge bureaustoel, haar dochtertje Jana van zes maanden tegen zich aan, op de zolderkamer waar zij dag-in-dag-uit doet wat ze het liefste doet: schrijven, pielen aan zinnetjes, de juiste vorm vinden voor haar verhaal. Hond Pip ligt aan haar voeten, zijn kop onder het bureau.
Met de deadline van haar nieuwste boek in zicht, zijn Judiths uren kostbaar. Bijna twee boeken na ‘et zwijgen van Maria Zachea, ligt het verhaal over de totstandkoming van deze bestseller ver achter haar. Toch wil ik met haar terug in de tijd. Hoe rekende ze af met de standaard journalistieke aanpak van de vijf W’s, wil ik van haar horen. In welke valkuilen tuimelde ze? En hoe kwam ze daaruit? De eerste scène van mijn narratieve portret zat al ruim vóór het interview in mijn hoofd:

Louis Paul Boon
‘Iets knaagt aan de schrijfster als zij de printjes van hoofdstuk drie, versie twee, voor zich op tafel legt. Tevreden had ze deze vroege ochtend haar computer uitgezet. Eindelijk goed, dat hoofdstuk, morgen lekker verder. Ze heeft maar een paar regels gelezen als doordringt dat ze zichzelf voor de gek hield. Met een diepe zucht en een traan brandend in haar linker ooghoek, geeft ze haar bureaustoel een zet. ‘Dit ís geen verhaal, dit is zelfs nauwelijks een reportage. Ik geef het op.’
De gedachte biedt heel even rust. Tot een vervelende stem in haar hoofd haar terughaalt: ‘Hoe vertel ik het mijn vader?’
Die scène krijg ik niet op tafel. Wat ik ook probeer. Niet dat de schrijfster niet graag de lessen deelt die zij de afgelopen twaalf jaar geleerd heeft. Het schrijven van Het zwijgen van Maria Zachea was een worsteling, zegt ze meermalen. Ze wilde de waargebeurde geschiedenis vertellen als ware het een roman. Met personages, scènes, de ontwikkeling van een plot. Maar in die tijd kende ze geen voorbeelden van verhalende non-fictie. Ze ging te rade bij fictie met een meervoudig perspectief, zoals Menuet van Louis Paul Boon, en moest zelf het wiel uitvinden.
Die worsteling valt niet terug te brengen tot specifieke momenten, zegt ze ook. ‘Het was een proces dat zich afspeelde in mijn. Daar valt weinig aan te zien. Ik zou je niet aanraden om dáár een narratief verhaal over te willen schrijven.’ Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Gisteravond heeft ze opgeruimd, zo netjes is haar werkruimte meestal niet. Ze vindt het prettig dat haar kamer eigenlijk te klein is, zodat ze omring wordt door haar werk en alles wat haar daarbij helpt of iinspireert: het eerste manuscript van Hemelvaart, haar nieuwe boek; de plattegrond van Parikia het stadje op het Griekse eiland Paros waar dat zich voor een belangrijk deel afspeelt, boven haar bureau; de dagboeken, schriftjes, fotoalbums, boeken. Hemelvaart is een autobiografisch verhaal, over een tragische gebeurtenis in haar jeugd die veel invloed gehad heeft op haar leven. Judith gebruikt haar oude dagboeken en foto’s om haar herinneringen op gang te brengen. En dan nog weet ze niet precies hoe het allemaal gegaan is. De andere betrokkenen, die ze de afgelopen jaren opzocht, hadden allemaal een heel ander verhaal. Net zoals de kinderen van Maria Zachea zich dezelfde jeugd allemaal anders herinneren.

Scenario
De werking van het geheugen intrigeert de schijfster mateloos. Anna Boom, hoofdpersonage in haar gelijknamige tweede boek, verdringt de herinnering aan een ingrijpende gebeurtenis zo goed, dat ze die decennialang ook werkelijk kwijt is.

Hoe ik er ook naar vraag, het lukt Judith niet om zich een moment tijdens het schrijven van haar eerste boek te herinneren waarin ze tot wanhoop werd gedreven – in elk geval niet met zoveel details dat ik daar mijn hele verhaal aan op kan hangen. In plaats daarvan, neemt ze me mee naar een andere scène, uit de tijd dat ze nog bij de Volkskrant werkte, een paar jaar voordat ze begon met Maria Zachea, haar eerste kennismaking met het schrijven in scènes.

Samen met Vuk, haar vriend, filmmaker uit Sarajevo, zit Judith aan de lange voor het raam van haar appartement aan de Amsterdamse Rechtboomsloot, verwikkeld in een taalknoop. Samen schrijven ze het scenario van zijn tweede Nederlandse film, Het laatste Joegoslavische elftal. Avond na avond tot in de nacht, Vuks favoriete werktijd. Het raam staat meestal open, hoe koud het ook is, want Vuk rookt. Hij denkt in het Servisch, vertelt haar in het Engels wat hij in het scenario wil, zij schrijft dat in het Nederlands op, vertaalt haar tekst in het Engels om die aan hem te laten lezen en hij roept: ‘But that’s not what I mean! ‘Maar wat bedoel je dan wel?’ antwoordt zij en eindeloos discussiërend werken ze verder. Een deel van het scenario bestaat uit scènes, beeldende beschrijvingen van wat er in de film te zien zal zijn. En die schrijven het lekkerst, ontdekt ze.

‘Goed, dit was het materiaal,’ zegt ze en geeft me een uitpuilende ordner, de interviewteksten voor Maria Zachea, uitgetikt door Edith Verhulst van typebureau De Aanslag. ‘Ik zet thee, kan jij daarin neuzen.’
Hiermee begon het. In een eerste versie liet Judith alle geïnterviewden alles letterlijk vertellen, in hun kenmerkende eigen taal. Dat leek haar het mooist. Maar dat was het niet, het verhaal ging kabbelen, werd saai. Dus begon ze de citaten af te wisselen met scènes tot een hybride geheel. Bij Nico, nummer zes in de rij, halverwege het boek, zag ze dat het niet goed was en begon ze opnieuw.

Discipline
Weer waag ik een poging om Judiths leerproces in beeld te vangen.
Ik: ‘Wanneer was dat, waar was je, wat ging er door je heen?’
Judith: ‘Weet ik niet.’
Ik: ‘Ik heb een narratief verhaal beloofd, daar heb ik details voor nodig. Vandaar dat ik blijf zeuren.’
Judith: ‘Begrijp ik, dat doe ik ook altijd. Nu merk ik pas hoe moeilijk het is om die herinneringen boven te halen.’
Vuk komt binnen. Judith wendt zich tot hem. ‘Anke heeft de onmogelijke opdracht een narratief verhaal te schrijven over mijn schijfproces,’ vertelt ze man geamuseerd. ‘Dat is moeilijk’, erkent hij, ‘dat speelde zich af in je hoofd.’ Hij knikt me bemoedigend toe. ‘Eén scène zie ik al voor me.’ Hij ziet iets wat ik niet zie. ‘Judith, elke dag, van half tien ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds, uren aaneen, achter haar computer. Tikkerdetik. Ik kan dat niet, die discipline. Ik werk alleen als ik werken moet. Werk ik niet, dan werk ik ook.’ Hij maakt een draaiende beweging met zijn hand naast zijn hoofd. ‘Denken enzo.’

‘Je hebt een andere strategie nodig,’ zegt de filmmaker met een glimlach. Zoiets moet hij ook hebben gezegd toen Judith bij het hoofdstuk Nico niet meer wist hoe ze verder moest met Maria Zachea. Wat voor elk verhaal geldt, geldt nog meer voor kleine, weinig wereldschokkende verhalen, weet hij uit ervaring: ‘Je moet ze heel goed vormgeven, willen ze tot leven komen.’ Vuk was het die Judith het idee aan de hand deed om de oudste tantes en ooms in Maria Zachea over de jaren vijftig te laten vertellen en de jongsten over de jaren zeventig, zodat het verhaal een spanningsboog kreeg. Als journalist was ze daar zelf nooit op gekomen, erkent ze achteraf.

In de derde versie van het manuscript liet Judith de lange citaten helemaal los en schreef ze zoveel nogelijk in scènes. Daardoor voelde ze zich vrij. Haar vader was geen ‘ik’ meer, maar personage Piet met de rode sokken. Ze kon hem, als dat haar uitkwam voor het verhaal, in een weiland neerzetten en daar één van de vele gedachtes laten denken die hij haar had verteld. Vanaf dat moment ging het schrijven lekker.

Meestal dan. Het laatste hoofdstuk, over oom Guus, schreef ze in de caravan van haar ouders op de Veluwe, muziek van The Doors op de achtergrond, een feest. Jubelend steeg ze op. Om vreselijk hard neer te komen toen, als allerlaatste, het eerste hoofdstuk herschreven moest worden.

Kwartje
Weer was ze op een inspirerende locatie. Met laptop en Vuk werkte ze in een groot huis met uitzicht op de Limburgse heuvels. Maar tante Jo, een ‘altijd-is-alles-gezelligtype’, speelde haar parten. Als alles altijd gezellig is, heb je geen conflict, en zonder conflict geen verhaal. Judith kreeg het personage niet in haar greep, hoe ze ook schreef en herschreef. De paniek sloeg toe. Judith belde uitgeefster Ine Soepnel, die in een tentje op Terschelling zat. Toen zei Vuk: ‘Kom, we gaan het bos in.’ Ze wandelden en praatten. Hoe het kwartje viel, ze weet het niet meer. Maar de oplossing diende zich als vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon te vertellen hoe het was.’

In de trein terug blijft een gedachte aan me knagen. Judith en ik hadden door het park moeten wandelen, zoals we aanvankelijk van plan waren. Weer hoor ik Judiths stem door de telefoon toen we een afspraak maakten. ‘Het park is belangrijk voor me.’
Elke dag begint zij met een wandeling met Pip en Jana. In het park denkt ze na over de scène die ze die schrijven wil. Soms schieten haar zinnen te binnen. Terug thuis, waar de Peruaanse oppas wacht, haast ze zich naar boven. Eenmaal op zolder, leest ze hardop wat ze de vorige dag geschreven heeft. Een uur of twee herschrijft ze, daarna schrijft ze verder. Ik kwam ’s middags, dus na de ochtendwandeling. En ik was zo gespitst op die ene scène, dat ik niet op het parkplan terugkwam.

Hoe verder ik me verwijder van Judith en Vuk, hoe beter ik weet welke verhalen ik mis – niet alleen het moment waarop ze Maria Zachea niet meer zag zitten, ook de liefdesgeschiedenis van de schrijfster en de filmmaker, de kleuren van het park, het tragische voorval in haar jeugd. Op de kadans van de trein dreunen Judiths woorden door mijn hoofd: ‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Thuis maak ik een wandeling in mijn ‘eigen park’. Hoe het kwartje valt, geen idee. Maar de oplossing dient zich vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon vertellen hoe het was.’

‘Ik ben Lynn, en niet alleen mijn hersenletsel’

Dit artikel schreef ik voor het Zorg+Welzijn 12, december 2010. 

Lynn Quekel zat op het gymnasium. Een hersenbloeding veranderde haar toekomst voorgoed. Individueel begeleider Rebecca Versteegen helpt haar een zelfstandig leven op te bouwen. Quekel: ‘Ik kwam in een wereld van mensen met wie iets mis is.’

001_RBIAdam-image-ZWZ16476I01 ‘Er is echt een soort klik tussen ons.’ Lynn Quekel zegt het terloops, als haar individuele begeleider en trainer Rebecca Versteegen even wegloopt. Het “toneelstukje” dat ze zojuist samen opvoerden voor de foto mag weinig representatief zijn voor hoe het gaat als Versteegen bij haar thuis komt, het geeft een indruk van de relatie tussen de twee. Een brief, toevallig van een stapel gepakt, over de bijeenkomst Vrouwen Hogerop, leidt aanvankelijk tot gegiechel. ‘Voordat ik die bloeding had dacht ik altijd: ik kom hogerop’, roept Quekel, 21 jaar. Ze zat op het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam, vierde klas gymnasium, toen zij een hersenbloeding kreeg. ‘Kun je dit lezen?’ vraagt haar begeleidster Lynns nauwkeuriger aandacht, wetende dat het haar moeite kost om te lezen en de kern uit het verhaal te halen. ‘Vrouwen verdienen voor hetzelfde werk gemiddeld minder dan mannen’, leest Quekel voor. ‘Is dat echt zo? Dat vind ik heel erg!’ ‘Wat doen we met deze brief?’, vraagt Versteegen. ‘Hij kan weg.’
‘Ik was aan het rennen voor gym en opeens liep ik mank’, vertelt Quekel over hoe het begon, ‘ik dacht wat is dat nou?’ Maar ik kon niet praten, niet voelen en bijna niet denken.’ De rechterhelft van haar lichaam was verlamd. Nu zijn haar rechterarm en -hand verlamd, maar kan ze wel weer beter lopen. Ze werd naar het ziekenhuis gebracht en twee weken later naar Revalidatiecentrum Amsterdam (RCA, nu opgegaan in Reade), waar ze vier weken bleef. ‘Ik kwam in een wereld van mensen waar iets mis mee is. Ik hoor daar niet bij, dacht ik, over een jaar is het over. Maar het ging niet over. Ik wilde zo snel mogelijk weer naar school. Uiteindelijk heb ik drie jaar geprobeerd mijn school af te maken. Maar ik kon mij niet concentreren en was snel moe. Pas sinds ongeveer anderhalf jaar denk ik: ‘Het is wat het is, hier moet ik het mee doen.’
Sindsdien komt Versteegen, werkzaam bij Heliomare, expertisecentrum voor niet-aangeboren hersenletsel in Amsterdam, tweewekelijks bij haar thuis. De systeemtherapeut van Heliomare, waar Lynns moeder al een tijdje onder behandeling was, adviseerde hen contact te leggen. ‘Lynn was in die tijd afhankelijk van haar moeder, die haar bij veel dingen hielp’, vertelt Versteegen, ‘terwijl ze in een fase zit waarin zij zich los wil maken van haar ouders.’ Maar ook mijn moeder wilde het anders’, zegt Quekel. ‘Die wilde weer eens andere dingen met me bespreken dan ‘Denk je eraan om dit en dat te doen?’. Ze wilde een gewone moeder-dochter-relatie.’
Versteegen studeerde fysiotherapie en kwam via een stage bij RCA voor het eerst in contact met cliënten met niet-aangeboren hersenletsel en werd daardoor geraakt. Later heeft zij binnen Heliomare verschillende cursussen gevolgd om zich inhoudelijk in de doelgroep NAH te kunnen verdiepen. Al haar cliënten zitten in de chronische fase. De revalidatie is voorbij, maar eenmaal thuis is geleidelijk aan gebleken dat het niet meer is zoals vroeger. Het geheugen kan aangetast zijn of iemand is veranderd van gedrag en van karakter. Vaak is het een partner of ouder die erop aanstuurt om hulp te zoeken bij het omgaan met die veranderingen.
Zoals zij met al haar individuele cliënten doet, maakte Versteegen met Lynn een dagbestedingsplan, van waaruit zij doelstellingen formuleerden. ‘Ik ga altijd uit van de vraag van de cliënt en de fase waarin hij of zij zich bevindt. Lynn is 21 en kijkt anders aan tegen de breuk in haar leven dan iemand die begin zestig is en bijna met pensioen zou gaan. Ze is bezig met zelfstandig worden. Op zichzelf gaan wonen hoort daarbij, maar ook uitgaan.’ ‘Dansen ja, en sjansen’, lacht Quekel. Sinds haar bloeding had Quekel twee korte relaties. ‘De zoektocht naar wat je wilt in een relatie hoort erbij op die leeftijd’, zegt haar begeleidster, terwijl Quekel knikt. ‘Ook daarover hebben we het soms tijdens de begeleiding. De doelen die we gesteld hebben ondermeer met praktische zaken te maken. In juli is Quekel op zichzelf gaan wonen. Versteegen helpt haar sindsdien met het structuren van haar administratie, zodat deze op orde blijft en zij rust, orde en regelmaat voor zichzelf behoudt.
‘Ik heb de neiging om alles zelf te willen doen’, legt Quekel uit. ‘Maar als ik een brief krijg waaruit ik begrijp dat ik iets moet doen, maar niet begrijp wat, dan beheerst dat mijn hele leven. Ik heb me aangeleerd moeilijke post opzij te leggen.’ Bij ieder bezoek kiest Quekel een poststuk uit dat ze bepreken. Ze verifieert bij haar begeleidster of ze de inhoud begrepen heeft. Soms blijven er dingen onduidelijk. Dan is het een optie dat de cliënte daarover gaat bellen. Soms doen ze een rollenspel om zo’n gesprek te oefenen.
‘Behalve twee interviews gaf Lynn kort geleden zelfs een presentatie in het Engels. Dat komt direct voort uit haar ontwikkeling in de afgelopen anderhalf jaar’ zegt Versteegen. ‘In het begin van de begeleiding had ze vaak moeite om woorden te vinden, vooral omdat ze zich nog niet helemaal op haar gemak voelde. We hebben een vertrouwensband moeten opbouwen, en Lynn heeft vaardigheden aangeleerd en geleerd uit ervaringen. Zo was ze net begonnen met een cognitietraining die ik geef toen zij een woning aangeboden kreeg. Ik zei dat ze ermee rekening moest houden dat er bij een verhuizing zoveel komt kijken dat ze waarschijnlijk geen energie zou hebben voor de training. Maar zij zei: ‘Ik ga het gewoon doen.’ Twee keer kwam ze niet en vroeg ik haar achteraf waarom. Na de derde keer dat ze er niet was kwam ze er zelf mee: de verhuizing alleen was al zwaar genoeg. Het durven toegeven dat de training toen teveel was, is een grote stap die Lynn heeft gezet. Lynn groeit met de dag. Ik heb daar veel bewondering voor en dat laat ik haar ook weten. Ik leg bewust de nadruk op succesmomenten, omdat ik merk dat Lynn opbloeit als ze een complimentje krijgt.’
Hoe ze haar toekomst ziet, kan Quekel niet zeggen, ‘maar ik weet dat ik de wereld wil laten zien dat ik Lynn ben, met mijn hobby’s, mijn vriendinnen, mijn goede en slechte eigenschappen en niet alleen mijn hersenletsel.’Voorlopig kan ze daarbij niet zonder haar begeleider. ‘Ik zou zo opgeslokt worden door dagelijks geregel dat ik de deur niet meer uit kwam. Dankzij haar kan ik ook het leven leiden van een eenentwintigjarige, dus af en toe lol hebben met mijn vriendinnen. Daar ben ik heel blij mee.’