‘Soms moet je maar gewoon vertellen hoe het was’

Dit artikel schreef ik voor het Magazine Verhalende Journalistiek, uitgegeven ter gelegenheid van de derde Conferentie Verhalende Journalistiek op 19 april 2013.

Judith Koelemeijer over haar schrijfproces

‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’ Judith Koelemeijer waarschuwt me. Een portret van haarzelf in de vorm van een verhaal? Volgens Judith ‘een onmogelijke opdracht.’

Uit vijfendertig bandjes interviewtekst destilleerde Judith Koelemeijer twaalf jaar geleden twaalf hoofdstukken van hooguit twintig bladzijden per stuk, één hoofdstuk per kind van haar oma Maria Zachea. Lang niet alles van wat de twaalf Koelemeijers vertelden pastte in het boek. Veel anekdotes moest ze laten liggen.

Judith zit in haar hoge bureaustoel, haar dochtertje Jana van zes maanden tegen zich aan, op de zolderkamer waar zij dag-in-dag-uit doet wat ze het liefste doet: schrijven, pielen aan zinnetjes, de juiste vorm vinden voor haar verhaal. Hond Pip ligt aan haar voeten, zijn kop onder het bureau.
Met de deadline van haar nieuwste boek in zicht, zijn Judiths uren kostbaar. Bijna twee boeken na ‘et zwijgen van Maria Zachea, ligt het verhaal over de totstandkoming van deze bestseller ver achter haar. Toch wil ik met haar terug in de tijd. Hoe rekende ze af met de standaard journalistieke aanpak van de vijf W’s, wil ik van haar horen. In welke valkuilen tuimelde ze? En hoe kwam ze daaruit? De eerste scène van mijn narratieve portret zat al ruim vóór het interview in mijn hoofd:

Louis Paul Boon
‘Iets knaagt aan de schrijfster als zij de printjes van hoofdstuk drie, versie twee, voor zich op tafel legt. Tevreden had ze deze vroege ochtend haar computer uitgezet. Eindelijk goed, dat hoofdstuk, morgen lekker verder. Ze heeft maar een paar regels gelezen als doordringt dat ze zichzelf voor de gek hield. Met een diepe zucht en een traan brandend in haar linker ooghoek, geeft ze haar bureaustoel een zet. ‘Dit ís geen verhaal, dit is zelfs nauwelijks een reportage. Ik geef het op.’
De gedachte biedt heel even rust. Tot een vervelende stem in haar hoofd haar terughaalt: ‘Hoe vertel ik het mijn vader?’
Die scène krijg ik niet op tafel. Wat ik ook probeer. Niet dat de schrijfster niet graag de lessen deelt die zij de afgelopen twaalf jaar geleerd heeft. Het schrijven van Het zwijgen van Maria Zachea was een worsteling, zegt ze meermalen. Ze wilde de waargebeurde geschiedenis vertellen als ware het een roman. Met personages, scènes, de ontwikkeling van een plot. Maar in die tijd kende ze geen voorbeelden van verhalende non-fictie. Ze ging te rade bij fictie met een meervoudig perspectief, zoals Menuet van Louis Paul Boon, en moest zelf het wiel uitvinden.
Die worsteling valt niet terug te brengen tot specifieke momenten, zegt ze ook. ‘Het was een proces dat zich afspeelde in mijn. Daar valt weinig aan te zien. Ik zou je niet aanraden om dáár een narratief verhaal over te willen schrijven.’ Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Gisteravond heeft ze opgeruimd, zo netjes is haar werkruimte meestal niet. Ze vindt het prettig dat haar kamer eigenlijk te klein is, zodat ze omring wordt door haar werk en alles wat haar daarbij helpt of iinspireert: het eerste manuscript van Hemelvaart, haar nieuwe boek; de plattegrond van Parikia het stadje op het Griekse eiland Paros waar dat zich voor een belangrijk deel afspeelt, boven haar bureau; de dagboeken, schriftjes, fotoalbums, boeken. Hemelvaart is een autobiografisch verhaal, over een tragische gebeurtenis in haar jeugd die veel invloed gehad heeft op haar leven. Judith gebruikt haar oude dagboeken en foto’s om haar herinneringen op gang te brengen. En dan nog weet ze niet precies hoe het allemaal gegaan is. De andere betrokkenen, die ze de afgelopen jaren opzocht, hadden allemaal een heel ander verhaal. Net zoals de kinderen van Maria Zachea zich dezelfde jeugd allemaal anders herinneren.

Scenario
De werking van het geheugen intrigeert de schijfster mateloos. Anna Boom, hoofdpersonage in haar gelijknamige tweede boek, verdringt de herinnering aan een ingrijpende gebeurtenis zo goed, dat ze die decennialang ook werkelijk kwijt is.

Hoe ik er ook naar vraag, het lukt Judith niet om zich een moment tijdens het schrijven van haar eerste boek te herinneren waarin ze tot wanhoop werd gedreven – in elk geval niet met zoveel details dat ik daar mijn hele verhaal aan op kan hangen. In plaats daarvan, neemt ze me mee naar een andere scène, uit de tijd dat ze nog bij de Volkskrant werkte, een paar jaar voordat ze begon met Maria Zachea, haar eerste kennismaking met het schrijven in scènes.

Samen met Vuk, haar vriend, filmmaker uit Sarajevo, zit Judith aan de lange voor het raam van haar appartement aan de Amsterdamse Rechtboomsloot, verwikkeld in een taalknoop. Samen schrijven ze het scenario van zijn tweede Nederlandse film, Het laatste Joegoslavische elftal. Avond na avond tot in de nacht, Vuks favoriete werktijd. Het raam staat meestal open, hoe koud het ook is, want Vuk rookt. Hij denkt in het Servisch, vertelt haar in het Engels wat hij in het scenario wil, zij schrijft dat in het Nederlands op, vertaalt haar tekst in het Engels om die aan hem te laten lezen en hij roept: ‘But that’s not what I mean! ‘Maar wat bedoel je dan wel?’ antwoordt zij en eindeloos discussiërend werken ze verder. Een deel van het scenario bestaat uit scènes, beeldende beschrijvingen van wat er in de film te zien zal zijn. En die schrijven het lekkerst, ontdekt ze.

‘Goed, dit was het materiaal,’ zegt ze en geeft me een uitpuilende ordner, de interviewteksten voor Maria Zachea, uitgetikt door Edith Verhulst van typebureau De Aanslag. ‘Ik zet thee, kan jij daarin neuzen.’
Hiermee begon het. In een eerste versie liet Judith alle geïnterviewden alles letterlijk vertellen, in hun kenmerkende eigen taal. Dat leek haar het mooist. Maar dat was het niet, het verhaal ging kabbelen, werd saai. Dus begon ze de citaten af te wisselen met scènes tot een hybride geheel. Bij Nico, nummer zes in de rij, halverwege het boek, zag ze dat het niet goed was en begon ze opnieuw.

Discipline
Weer waag ik een poging om Judiths leerproces in beeld te vangen.
Ik: ‘Wanneer was dat, waar was je, wat ging er door je heen?’
Judith: ‘Weet ik niet.’
Ik: ‘Ik heb een narratief verhaal beloofd, daar heb ik details voor nodig. Vandaar dat ik blijf zeuren.’
Judith: ‘Begrijp ik, dat doe ik ook altijd. Nu merk ik pas hoe moeilijk het is om die herinneringen boven te halen.’
Vuk komt binnen. Judith wendt zich tot hem. ‘Anke heeft de onmogelijke opdracht een narratief verhaal te schrijven over mijn schijfproces,’ vertelt ze man geamuseerd. ‘Dat is moeilijk’, erkent hij, ‘dat speelde zich af in je hoofd.’ Hij knikt me bemoedigend toe. ‘Eén scène zie ik al voor me.’ Hij ziet iets wat ik niet zie. ‘Judith, elke dag, van half tien ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds, uren aaneen, achter haar computer. Tikkerdetik. Ik kan dat niet, die discipline. Ik werk alleen als ik werken moet. Werk ik niet, dan werk ik ook.’ Hij maakt een draaiende beweging met zijn hand naast zijn hoofd. ‘Denken enzo.’

‘Je hebt een andere strategie nodig,’ zegt de filmmaker met een glimlach. Zoiets moet hij ook hebben gezegd toen Judith bij het hoofdstuk Nico niet meer wist hoe ze verder moest met Maria Zachea. Wat voor elk verhaal geldt, geldt nog meer voor kleine, weinig wereldschokkende verhalen, weet hij uit ervaring: ‘Je moet ze heel goed vormgeven, willen ze tot leven komen.’ Vuk was het die Judith het idee aan de hand deed om de oudste tantes en ooms in Maria Zachea over de jaren vijftig te laten vertellen en de jongsten over de jaren zeventig, zodat het verhaal een spanningsboog kreeg. Als journalist was ze daar zelf nooit op gekomen, erkent ze achteraf.

In de derde versie van het manuscript liet Judith de lange citaten helemaal los en schreef ze zoveel nogelijk in scènes. Daardoor voelde ze zich vrij. Haar vader was geen ‘ik’ meer, maar personage Piet met de rode sokken. Ze kon hem, als dat haar uitkwam voor het verhaal, in een weiland neerzetten en daar één van de vele gedachtes laten denken die hij haar had verteld. Vanaf dat moment ging het schrijven lekker.

Meestal dan. Het laatste hoofdstuk, over oom Guus, schreef ze in de caravan van haar ouders op de Veluwe, muziek van The Doors op de achtergrond, een feest. Jubelend steeg ze op. Om vreselijk hard neer te komen toen, als allerlaatste, het eerste hoofdstuk herschreven moest worden.

Kwartje
Weer was ze op een inspirerende locatie. Met laptop en Vuk werkte ze in een groot huis met uitzicht op de Limburgse heuvels. Maar tante Jo, een ‘altijd-is-alles-gezelligtype’, speelde haar parten. Als alles altijd gezellig is, heb je geen conflict, en zonder conflict geen verhaal. Judith kreeg het personage niet in haar greep, hoe ze ook schreef en herschreef. De paniek sloeg toe. Judith belde uitgeefster Ine Soepnel, die in een tentje op Terschelling zat. Toen zei Vuk: ‘Kom, we gaan het bos in.’ Ze wandelden en praatten. Hoe het kwartje viel, ze weet het niet meer. Maar de oplossing diende zich als vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon te vertellen hoe het was.’

In de trein terug blijft een gedachte aan me knagen. Judith en ik hadden door het park moeten wandelen, zoals we aanvankelijk van plan waren. Weer hoor ik Judiths stem door de telefoon toen we een afspraak maakten. ‘Het park is belangrijk voor me.’
Elke dag begint zij met een wandeling met Pip en Jana. In het park denkt ze na over de scène die ze die schrijven wil. Soms schieten haar zinnen te binnen. Terug thuis, waar de Peruaanse oppas wacht, haast ze zich naar boven. Eenmaal op zolder, leest ze hardop wat ze de vorige dag geschreven heeft. Een uur of twee herschrijft ze, daarna schrijft ze verder. Ik kwam ’s middags, dus na de ochtendwandeling. En ik was zo gespitst op die ene scène, dat ik niet op het parkplan terugkwam.

Hoe verder ik me verwijder van Judith en Vuk, hoe beter ik weet welke verhalen ik mis – niet alleen het moment waarop ze Maria Zachea niet meer zag zitten, ook de liefdesgeschiedenis van de schrijfster en de filmmaker, de kleuren van het park, het tragische voorval in haar jeugd. Op de kadans van de trein dreunen Judiths woorden door mijn hoofd: ‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Thuis maak ik een wandeling in mijn ‘eigen park’. Hoe het kwartje valt, geen idee. Maar de oplossing dient zich vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon vertellen hoe het was.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *