Welkom! en De kracht van het kleine verhaal

Eerlijk is eerlijk, ik heb er wel eens pronkstuklacherig over gedaan, ‘mijn’ rubriek in het AD Rotterdams Dagblad, Pronkstuk. ‘Mijn’ tussen aanhalingstekens omdat ik hem om de week schrijf en hij dus ook van collega-freelance journalisten is. Zo klein, zo simpel, zo ‘wat stelt het nou helemaal voor?’.

Daar ben ik helemaal van terug. Ik houd van het Pronkstuk, zoals de mensen die ik in die rubriek portretteer houden van het onderwerp waar ze mij in kleuren en geuren over vertellen. Soms trots, vaak bescheiden. Laten dat nu vaak de mooiste verhalen zijn. Verhalen waarin het kleine voor het grote staat. Zoals Peter Beniest over zijn zelfgemaakte ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur en Kees Strijk over zijn kopie van Picasso’s Het hoofd van de Harlekijn, een van de zeven schilderijen die in 2012 werden gestolen uit de Rotterdamse Kunsthal en later door hem gekopieerd. Beide verhalen gaan ook over eigenzinnigheid, geduld, doorgaan na tegenslag, vakmanschap, toewijding en schoonheid.

Werkplaats moet echt zijn

AD Rotterdams Dagblad, 4 september 2015

Werkplaats moet echt zijn

Elk woonhuis heeft zijn eigen pronkstuk. In deze rubriek vertellen bewoners over hun trots. Vandaag: de timmerwerkplaats in miniatuur van Peter Beniest uit Rotterdam.

Werkplaats moet echt zijnTwee werkplaatsen heeft Peter Beniest in zijn hobbykamer. Een ‘gewone’, met alles wat hij nodig heeft en zijn pronkstuk, een ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur. Gemaakt met behulp van de draaibank en de ‘moorddadige’ dremel, waar hij fijn tot heel fijn slijp- en schuurwerk mee verricht. Negen houtklemmen, twintig beitels, zes houtvijlen, een paar schaafies’, zagen, hamers en gutsen fabriceerde hij onder andere voor zijn miniatuurwerkplaats, pronkstuk vanwege de liefde waarmee hij hem maakte. In het Oude-ambachten-en- speelgoedmuseum in Terschuur zag Peter zo’n oude werkbank staan, die hij romantisch vond en deed denken aan zijn tijd op de Technische School. ,,Wat mooi”, dacht hij en besloot er net zo een te maken in het klein.
Geschikt hout heeft Peter altijd op voorraad, van meubels uit het grof vuil, uit de erfenis van een bevriende orgelbouwer of van boomtakken. De plank die hij voor het miniwerkblad gebruikte was perfect van maat en als nieuw, maar hij zaagde hem tot drie planken, plakte die aan elkaar en verfde ze, ,,want het moet echt lijken.” Vervolgens maakte hij de eerste stukkies gereedschap. Hoe? ,,Dat is mijn geheim”, lacht hij, om vervolgens een stukje oude ijzerzaag tot minizaagje te bewerken. Met het slijpen van het beukenhouten handvat en het monteren erbij is dat normaal een klus van een half uur, maar dit proefexemplaar – niet goed genoeg – kost hem hooguit tien minuten. De beitels maakt hij van platgeslagen spijkers. Zijn collectie is zo uitgebreid dat hij er in het echt prima mee uit de voeten zou kunnen.
Hout bewerken is een van Peters vele talenten, de miniatuurwerkplaats een van zijn vele meesterwerken. Her en der in huis prijken ook aardige zelf geschilderde ‘Hollandse Meesters’, een Middeleeuwse draailier die hij renoveert en een modelschip – ,,een jarenproject”, waaraan hij begon ruim voordat hij in 2012, op zijn 59e, vlak na de verhoging van de AOW-leeftijd, na veertig dienstjaren ontslagen werd bij de RET.
Dat hij ontslagen werd, was niet leuk en het AOW-gat baart hem zorgen. Maar”, zegt hij kijkend naar de kleine werkplaats, ,,ik heb nu wel tijd voor dit soort dingen.”

Blijven luisteren

oorBijzonder, hoe de schone lei van deze nog vrijwel lege website me een nieuwe blik geeft op zowel mijn ‘oude’ als mijn recente werk. Zoals dat ik me, met elk artikel dat ik hier plaats, meer realiseer hoe zeer ‘luisteren’ als onderwerp een rode draad wordt in mijn werk. Dusdanig, dat mijn workshop Schrijven met Aandacht, met een klein accentverschil, ook Luisteren met Aandacht had kunnen heten. Aan een goed verhaal, zeker een goed journalistiek verhaal, gaat mijns inziens namelijk goed luisteren vooraf. Op meerdere niveaus. Het eerste: luisteren in de zin van ‘erbij zijn’ op het moment dat je je, al interviewend, lezend en kijkend, voorbereidt, zodat je, als journalist-schrijver, tijdens het schrijven niet al teveel moeite moet doen om het verhaal terug te halen, of het risico loopt om (interpretatie-)fouten te maken. Het tweede: luisteren in de zin van inlevend luisteren, luisteren naar de stiltes, naar de woorden achter de woorden van degene die je interviewt, naar datgene wat iemand werkelijk wil overbrengen, zelfs al vindt hij of zij zelf daar de woorden nog niet voor. En daarbij ondertussen nooit volledig te vertrouwen op je eigen interpretaties en aannames, maar deze keer op keer te checken.

Vandaag ‘luister ik’, al schrijvende aan mijn nieuwste Zorg+Welzijnartikel, naar een flink aantal geestelijk verzorgers die ik de afgelopen tijd geïnterviewd heb, van wie ik me pas sinds kort realiseer dat zij beroepsluisteraars zijn. En denk terug aan de eerste Nederlandse beroepsluisteraar bij wie luisteren in de functietitel zit, Chief Listening Officer, Corine Jansen. Zij luistert uren en uren naar mensen die, voor zichzelf of een naaste, in het ziekenhuis komen en hoort wat dokters zich vaak niet realiseren. Ik interviewde Corine begin dit jaar en schreef over dit artikel over haar: ‘Goede zorg begint met luisteren.’ Veel van wat zij mij toen vertelde, zou mij inmiddels, al die interviews met geestelijk verzorgers verder, minder verbazen dan toen. Wat ervoor pleit om keer op keer te blijven luisteren. Elk verhaal is immers anders.