Welkom! en De kracht van het kleine verhaal

Eerlijk is eerlijk, ik heb er wel eens pronkstuklacherig over gedaan, ‘mijn’ rubriek in het AD Rotterdams Dagblad, Pronkstuk. ‘Mijn’ tussen aanhalingstekens omdat ik hem om de week schrijf en hij dus ook van collega-freelance journalisten is. Zo klein, zo simpel, zo ‘wat stelt het nou helemaal voor?’.

Daar ben ik helemaal van terug. Ik houd van het Pronkstuk, zoals de mensen die ik in die rubriek portretteer houden van het onderwerp waar ze mij in kleuren en geuren over vertellen. Soms trots, vaak bescheiden. Laten dat nu vaak de mooiste verhalen zijn. Verhalen waarin het kleine voor het grote staat. Zoals Peter Beniest over zijn zelfgemaakte ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur en Kees Strijk over zijn kopie van Picasso’s Het hoofd van de Harlekijn, een van de zeven schilderijen die in 2012 werden gestolen uit de Rotterdamse Kunsthal en later door hem gekopieerd. Beide verhalen gaan ook over eigenzinnigheid, geduld, doorgaan na tegenslag, vakmanschap, toewijding en schoonheid.

Werkplaats moet echt zijn

AD Rotterdams Dagblad, 4 september 2015

Werkplaats moet echt zijn

Elk woonhuis heeft zijn eigen pronkstuk. In deze rubriek vertellen bewoners over hun trots. Vandaag: de timmerwerkplaats in miniatuur van Peter Beniest uit Rotterdam.

Werkplaats moet echt zijnTwee werkplaatsen heeft Peter Beniest in zijn hobbykamer. Een ‘gewone’, met alles wat hij nodig heeft en zijn pronkstuk, een ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur. Gemaakt met behulp van de draaibank en de ‘moorddadige’ dremel, waar hij fijn tot heel fijn slijp- en schuurwerk mee verricht. Negen houtklemmen, twintig beitels, zes houtvijlen, een paar schaafies’, zagen, hamers en gutsen fabriceerde hij onder andere voor zijn miniatuurwerkplaats, pronkstuk vanwege de liefde waarmee hij hem maakte. In het Oude-ambachten-en- speelgoedmuseum in Terschuur zag Peter zo’n oude werkbank staan, die hij romantisch vond en deed denken aan zijn tijd op de Technische School. ,,Wat mooi”, dacht hij en besloot er net zo een te maken in het klein.
Geschikt hout heeft Peter altijd op voorraad, van meubels uit het grof vuil, uit de erfenis van een bevriende orgelbouwer of van boomtakken. De plank die hij voor het miniwerkblad gebruikte was perfect van maat en als nieuw, maar hij zaagde hem tot drie planken, plakte die aan elkaar en verfde ze, ,,want het moet echt lijken.” Vervolgens maakte hij de eerste stukkies gereedschap. Hoe? ,,Dat is mijn geheim”, lacht hij, om vervolgens een stukje oude ijzerzaag tot minizaagje te bewerken. Met het slijpen van het beukenhouten handvat en het monteren erbij is dat normaal een klus van een half uur, maar dit proefexemplaar – niet goed genoeg – kost hem hooguit tien minuten. De beitels maakt hij van platgeslagen spijkers. Zijn collectie is zo uitgebreid dat hij er in het echt prima mee uit de voeten zou kunnen.
Hout bewerken is een van Peters vele talenten, de miniatuurwerkplaats een van zijn vele meesterwerken. Her en der in huis prijken ook aardige zelf geschilderde ‘Hollandse Meesters’, een Middeleeuwse draailier die hij renoveert en een modelschip – ,,een jarenproject”, waaraan hij begon ruim voordat hij in 2012, op zijn 59e, vlak na de verhoging van de AOW-leeftijd, na veertig dienstjaren ontslagen werd bij de RET.
Dat hij ontslagen werd, was niet leuk en het AOW-gat baart hem zorgen. Maar”, zegt hij kijkend naar de kleine werkplaats, ,,ik heb nu wel tijd voor dit soort dingen.”

Blijven luisteren

oorBijzonder, hoe de schone lei van deze nog vrijwel lege website me een nieuwe blik geeft op zowel mijn ‘oude’ als mijn recente werk. Zoals dat ik me, met elk artikel dat ik hier plaats, meer realiseer hoe zeer ‘luisteren’ als onderwerp een rode draad wordt in mijn werk. Dusdanig, dat mijn workshop Schrijven met Aandacht, met een klein accentverschil, ook Luisteren met Aandacht had kunnen heten. Aan een goed verhaal, zeker een goed journalistiek verhaal, gaat mijns inziens namelijk goed luisteren vooraf. Op meerdere niveaus. Het eerste: luisteren in de zin van ‘erbij zijn’ op het moment dat je je, al interviewend, lezend en kijkend, voorbereidt, zodat je, als journalist-schrijver, tijdens het schrijven niet al teveel moeite moet doen om het verhaal terug te halen, of het risico loopt om (interpretatie-)fouten te maken. Het tweede: luisteren in de zin van inlevend luisteren, luisteren naar de stiltes, naar de woorden achter de woorden van degene die je interviewt, naar datgene wat iemand werkelijk wil overbrengen, zelfs al vindt hij of zij zelf daar de woorden nog niet voor. En daarbij ondertussen nooit volledig te vertrouwen op je eigen interpretaties en aannames, maar deze keer op keer te checken.

Vandaag ‘luister ik’, al schrijvende aan mijn nieuwste Zorg+Welzijnartikel, naar een flink aantal geestelijk verzorgers die ik de afgelopen tijd geïnterviewd heb, van wie ik me pas sinds kort realiseer dat zij beroepsluisteraars zijn. En denk terug aan de eerste Nederlandse beroepsluisteraar bij wie luisteren in de functietitel zit, Chief Listening Officer, Corine Jansen. Zij luistert uren en uren naar mensen die, voor zichzelf of een naaste, in het ziekenhuis komen en hoort wat dokters zich vaak niet realiseren. Ik interviewde Corine begin dit jaar en schreef over dit artikel over haar: ‘Goede zorg begint met luisteren.’ Veel van wat zij mij toen vertelde, zou mij inmiddels, al die interviews met geestelijk verzorgers verder, minder verbazen dan toen. Wat ervoor pleit om keer op keer te blijven luisteren. Elk verhaal is immers anders.

Waar journalistiek en zorg elkaar raken

20150827_155117Kom ik thuis van een laatste overlegje over Schrijven met Aandacht, ligt daar het septembernummer van Zorg+Welzijn. In juni en juli schreef ik daar twee artikelen voor: een aflevering van de rubriek Zo doe je dat, waarin ik maandelijks een adviseur van ‘uitvoerend professionals in het sociale domein’ aan het woord laat over een herkenbare casus uit zijn of haar praktijk en het artikel ‘Meer ruimte voor mezelf en mijn cliënten’ over mindfulness voor sociaal professionals.’ Meestal ben ik tegen de tijd dat het blad verschijnt al met zoveel andere dingen bezig geweest dat mijn artikelen oud voelen. Maar vooral het tweede artikel voelt nu nog dichtbij.

Ik heb er wat moeite voor moeten doen om de redactie ervan te overtuigen dat het er komen moest (‘is mindfulness niet de zoveelste hype? We willen meer horen dan ‘ik voelde me zoveel meer ontspannen’). Maar uiteindelijk kreeg ik de luxe om te schrijven over een vakgebied dat ik me aan het eigen maken ben: afgelopen voorjaar haalde ik mijn certificaat van de basisopleiding tot mindfulnesstrainer. Zoals het er nu naar uitziet, geef ik vanaf oktober mindfulnesstrainingen, ter aanvulling op mijn journalistieke werk. Juist in de wereld van zorg en welzijn, waar ik al anderhalf decennium veel over schrijf, is mindfulness populair. Dat is niet zo vreemd, citeer ik professor Anne Speckens, directeur van het Radboud Centrum voor Mindfulness, ‘Het zijn sectoren met een hoog risico op burn-out, dus veel mensen beginnen eraan om burn-out te voorkomen of ervan te herstellen. De oefeningen in de mindfulnesstraining helpen mensen om zichzelf en hun reactiepatronen te herkennen èn om open te staan voor dingen die moeilijk zijn. Dat is allebei heel belangrijk, zowel voor de professional, die vaak geneigd is zichzelf te vergeten, als voor zijn relatie met de cliënt of patiënt.’ Mindfulness helpt tegen stress en het helpt je luisteren naar jezelf en de ander. Ook in de journalistiek is dat van grote waarde.

Om auteursrechtelijke redenen kan ik beide nieuwe artikelen nog even niet op mijn site plaatsen. Daarom hierbij twee artikelen uit mijn lange Zorg+Welzijnverleden: ‘Ik ben Lynn, en niet alleen mijn hersenletsel’ over, ja, waar werkelijk luisteren, bijvoorbeeld dankzij mindfulness, professional en naasten aan kan helpen herinneren, en de eerste editie van Zo doe je dat, Boos team: Geen uren voor verjaardagsvisite.

De schrijver over haar schrijfproces

Deze weken staat mijn leven grotendeels in het teken van de workshop Schrijven met Aandacht, die ik op vrijdag 28 en zaterdag 29 augustus verzorg met tekstschrijver en schrijftrainer Manon Kleijn. En denk ik terug aan mijn interview met schrijfster Judith Koelemeijer, over de totstandkoming van haar bestseller Het zwijgen van Maria Zachea. Waar mijn workshop over aandacht gaat, gaat dit artikel goeddeels over het geheugen. Hoe schrijf je iemands verhaal, als die persoon het zich zelf nauwelijks herinnert? ‘Soms moet je maar gewoon vertellen hoe het was.’

Gestolen en toch bij elkaar

AD Rotterdams Dagblad 5 juni 2015

Elk woonhuis heeft zijn eigen pronkstuk. In deze rubriek vertellen bewoners over hun trots. Vandaag: de zelfgeschilderde Picassokopie van Kees Strijk uit Oud-Beijerland.

Gestolen en toch bij elkaarKees Strijk las het in de krant van 16 oktober 2012: zeven schilderijen gestolen uit de Rotterdamse Kunsthal. ,,Onvoorstelbaar”, vindt hij. Tegelijk zo bijzonder, dat hij de wist waar hij de komende tijd dagelijks mee bezig zou zijn. Hij zocht op internet afbeeldingen van alle zeven schilderijen, projecteerde die op doeken en begon ze te kopiëren. Over het resultaat is hij te spreken. ,,Mijn bruggen zijn strakker dan die van Monet. Wat niet wil zeggen beter. Hoe Monet licht in zijn schilderijen kreeg, is zo onvoorstelbaar knap.” En wat Picasso’s ‘Het hoofd van de harlekijn’ betreft, het origineel van Strijks pronkstuk: ,,dat komt duidelijk uit het hoofd van iemand die wil afwijken van het bestaande. Hoe kom je erop om iemand zo belachelijk af te beelden? Waarom zit het rechteroog hoger dan het linker? Het is een clown die mensen moet vermaken, maar zo een zielige figuur. Een mooie vrouw mooi schilderen is ook knap, maar dit is anders. Dit moet je maar bedenken. Picasso bedacht dat en ik niet. Daarom was hij een kunstenaar en ben ik een geoefend amateur.
Strijk schildert al bijna een halve eeuw. Al jaren legt hij zich toe op het kopiëren van schilderijen van bekende kunstenaars. ,,Het is een goede manier om mijn techniek te verbeteren en op peil te houden. En dat doe ik, omdat je, als je techniek beheerst, heel veel kunt schilderen. Ook als je geen kunstenaar bent.” Of hij een schilderij mooi vindt, is niet het belangrijkste criterium om het na te maken. ,,’De vrouw met de gesloten ogen’, van Lucian Freud, dat ook gestolen werd, vind ik niet echt een mooi schilderij. Maar door het na te schilderen heb ik er meer respect voor gekregen.”
Strijk schildert zoveel, dat vrijwel iedereen om hem heen wel schilderijen van hem in huis heeft. Maar de kopieën van de zeven gestolen schilderijen doet hij niet gauw weg. ,,Ik vind het bijzonder dat de schilderijen er niet meer zijn en ik ze toch heb. Alle zeven bij elkaar. Alleen als iemand ze allemaal wil, zal ik erover denken.”

Boos team: Geen uren voor verjaardagsvisite

Dit artikel schreef ik voor het Zorg+Welzijn, april 2015. 

Er was veel te bespreken in het boze team in de verstandelijk gehandicaptenzorg, waar Astrid Buis als interim-manager terecht kwam. Eén maatregel zorgde voor regelrechte verontwaardiging: de medewerkers mogen niet meer bij klanten op verjaardagsvisite gaan.

001_rb-image-1752274‘Wat zou de achtergrond van deze instructie zijn’, vroeg Buis de teamleden. En: ‘Waarom vinden jullie het zo erg?’ Wat bleek: geen therapeutische overwegingen of vriendschappelijke gevoelens lagen ten grondslag aan de gekoesterde gewoonte om bij cliënten op verjaardagsvisite te gaan, maar de overtuiging ‘je kunt mensen op hun verjaardag toch niet alleen laten zitten?’

Uitnodigen

‘Al pratende werden we het er al snel over eens dat “voorkomen dat iemand op zijn verjaardag alleen is” het uitgangspunt moest worden’, vertelt Buis. ‘We bespraken hoe de teamleden zouden onderzoeken waarom cliënten, behalve vanuit de instelling, geen verjaardagsvisite kregen. Weten de cliënten hoe je mensen uitnodigt? Wat is een haalbaar programma?

Dagbesteding

Koffie met gebak leek beter te organiseren dan een borrel. Welke mensen uit de omgeving kunnen de jarige helpen? Wie wil hij eigenlijk uitnodigen?’ Twee maanden later trof Buis het team opnieuw. ‘Meerdere cliënten hebben inmiddels zelf hun verjaardag gevierd, vertelden de medewerkers opgetogen. Ze hebben veel geleerd en zijn ontzettend trots op en blij met hun zelfgeorganiseerde verjaardag. Sindsdien nodigen cliënten ook op andere momenten mensen bij hen thuis uit, onder wie “collega’s” van de dagbesteding, en buren.’

Chief listening officer Corine Jansen: ‘Goede zorg begint met luisteren’

Een bewerking van dit artikel staat in Zorg+Welzijn maart 2015

Wil je weten waar mensen in de zorg echt behoefte aan hebben, dan dien je te luisteren naar hun verhalen, aldus Chief Listening Officer Corine Jansen doet. Meer dan een kwestie van tijd, is luisteren een keuze: ‘Zet je ego op de gang. Iemand vertelt iets niet voor niets.’

AAEAAQAAAAAAAAJ6AAAAJGNiYTNkY2QzLTNhOGItNDI3Ni04ZmZkLTc1NDZjZTgxOTM1YQCorine Jansen bracht jaren van haar leven in ziekenhuizen door. Vooral als naaste van zieke familieleden. Ze had met talloze dokters te maken, alle kanten van het spectrum tussen goed en minder goed. Te vaak kregen zij en haar familieleden geen antwoord op de voor hun belangrijskte vragen, zoals ‘Hoe ziet dat eruit, ‘nog maar drie maanden te leven?’ Toen Lucien Engelen van het Radboudumc in Nijmegen Jansen in 2009 vroeg om met hem een innovatiecentrum op te zetten, aarzelde ze geen moment. Ze werd Nederlands eerste Chief Listening Officer. In ruim vijf jaar, beluisterde ze honderden verhalen. ‘Artsen en bestuurders van het ziekenhuis realiseerden zich dat zij te vaak niet weten waar patiënten behoefte aan hebben. Hoe komt het, dat mensen tevreden kunnen zijn over de zorg als een operatie is mislukt en klagen als ze beter worden? De verhalen geef ik door, zonder conclusies of advies. Ze staan op zichzelf.’
Afgelopen zomer van 2014 werd Jansen zelf patiënt. Ze heeft de ziekte van Menière, een chronische aantasting van het middenoor, met ernstige duizeligheid, evenwichtsproblemen oorsuizen en, op den duur, gehoorverlies, tot gevolg. ‘Het eerste wat ik dacht was: ‘daar gaat mijn baan’. Ik heb minder energie en die wil ik niet besteden aan het dagelijks reizen vanuit mijn woonplaats Breda naar Nijmegen. Ik werk nu alleen nog vanuit mijn bedrijf JoConnect. Verder had ik geen idee. Alle kennis die ik over goede zorg in mijn hoofd heb, kon ik opeens niet meer bereiken. Het duurde maanden voordat ik mezelf hervond. Dat deed ik door heel veel te mailen met mijn arts. Over mijn vragen, wat het voor mij betekent om, op mijn 46e, chronisch ziek te zijn, het vooruitzicht om slechthorend te worden. Ik bleek allergisch voor bepaalde medicijnen die mij zouden kunnen helpen. De ziekte van Menière is niet dodelijk, maar vooral heel vervelend, dus zocht ik met mijn arts manieren om ermee om te gaan. Ik ben meer gaan sporten, gezonder gaan eten en vind steun in de Stoïcijnse levensfilosofie. Stoïcisme gaat ervan uit dat alles in de wereld op voorhand bepaald is, in overeenstemming met de natuur. En dat de mens vrij is in zijn reactie op hetgeen hem overkomt. Een belangrijk punt, volgens Jansen. ‘Door zelf te kiezen hoe je reageert, ben je in staat om een gelukkig leven te leiden.’
Zoals haar arts en zij het aanpakten, zo hoort het, volgens Jansen. Jansen schoolde zich in Narrative medicine, in de Verenigde Staten een academisch vakgebied. Het uitgangspunt: goede zorg begint met luisteren, in de betekenins van het willen begrijpen van de mens achter de patiënt. Jansen: ‘Niemand is alleen patiënt, maar bijvoorbeeld ook ouder, kind, buurvrouw, muziekliefhebber, onderwijzer. Iemands verhaal geeft je informatie over zijn sociale context, referentiekader, wat hem raakt. Op basis daarvan kun je het hebben over zijn idee van kwaliteit van leven en over welke behandeling daar het beste bij aansluit. Hoe kun je mensen keuzes laten maken, als zij niet weten wat de consequenties zijn van de eventuele behandelingen en/of medicijnen?’
De professionele luisteraar realiseert zich dat weinig professionals in de zorg of welzijnswereld zoveel tijd hebben om te luisteren als zij. ‘Natuurlijk, ik heb een luxe-positie. Tegelijk vind ik het raar dat er een functie als de mijne bestaat. Hij is in het leven geroepen om een omslag op gang te brengen, humanisering van de zorg, naar een zorgsysteem waarin de patiënt en zijn naaste partner zijn. Waarin het dus niet alleen gaat om onderzoek, bloedwaarden en kostenreductie, maar om mensen die er mogen zijn, met al hun vragen en gevoelens.’ Dat heeft volgens Jansen weinig met tijd te maken. ‘Echt luisteren zit hem in kleine dingen: een aanraking, oogcontact, de vraag ‘Hoe gaat het nou met jou?’ en je openstellen voor wat iemand zegt. Uit onderzoek blijkt, dat als je contact maakt, mensen aan twee à drie minuten genoeg hebben om hun verhaal te doen. Die tijd is er altijd. En op die manier kunnen luisteren, moet een basisvoorwaarde zijn om in de zorg te mogen werken.’
Maar wat als je maar een paar minuten per handeling hebt? ‘Wees duidelijk. Kijk die mevrouw of meneer aan, zeg: ‘Ik heb één minuut om naar u te luisteren.’ Of: ‘Ik luister naar u, dus vertel, maar ik maak ondertussen alvast de tafel schoon.’ Dat begrijpt vrijwel iedereen. En kies elke keer bewust wat het belangrijkste is. Soms is jouw bezoek het hoogtepunt van de dag. Hoe erg is het dan, als iemands huis een keer iets minder schoon is maar hij opgelucht is omdat hij zijn verhaal heeft kunnen doen?’
Luisteren begint met kiezen, volgens Jansen. Kiezen om iemand te willen begrijpen. Kiezen om tijd te maken, hoe beperkt ook. Kiezen om tijd te nemen tussen het ene gesprek en het andere, zodat je niet het verhaal van de een meeneemt naar de ander. Kiezen om je open te stellen, je ego op de gang te zetten. ‘Dat is simpel maar niet eenvoudig. Het vergt dat je je bewust bent van de aannames en overtuigingen waarmee je naar mensen kijkt en dat je die kunt loslaten. Accepteren dat iemands verhaal zijn waarheid is en dat hij iets niet voor niets vertelt. Is zijn waarheid anders dan de jouwe, dan kun je daar tegenin gaan of vragen stellen. Doe je het eerste, dan geef je de ander het gevoel dat je niet in hem geïnteresseerd bent, maar vooral je eigen verhaal wilt vertellen. Dan neemt hij je niet gauw in vertrouwen. Doe je het tweede, dan leer je. Over de ander en wat hij nodig heeft, maar ook in het algemeen. Persoonlijk vind ik dat veel leuker, het verruimt mijn blik op de wereld. Luisteren verrijkt.’
Soms kunnen mensen hun verhaal niet onder woorden brengen. ‘Natuurlijk is dat lastig, want je kunt niet in iemands hoofd kijken. Maar contact maken kan vrijwel altijd. Zo was ik een poosje geleden in een verpleeghuis, bij een mevrouw met dementie. Ik zag muziek van Willy Alberti op haar kamer, zette een muziekje op, hield haar hand vast en zag haar ogen oplichtten. Zoek altijd naar aanknopingspunten om contact te maken. Luisteren doe je niet alleen met je oren, maar ook met je ogen en je hart.’
Dat laatste zegt de luisteraar ook tegen zichzelf, wetende dat ze ooit misschien slechthorend zal zijn. ‘Een hele geruststelling. Wat er ook gebeurd, ik zal altijd luisteraar kunnen blijven.’

‘Soms moet je maar gewoon vertellen hoe het was’

Dit artikel schreef ik voor het Magazine Verhalende Journalistiek, uitgegeven ter gelegenheid van de derde Conferentie Verhalende Journalistiek op 19 april 2013.

Judith Koelemeijer over haar schrijfproces

‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’ Judith Koelemeijer waarschuwt me. Een portret van haarzelf in de vorm van een verhaal? Volgens Judith ‘een onmogelijke opdracht.’

Uit vijfendertig bandjes interviewtekst destilleerde Judith Koelemeijer twaalf jaar geleden twaalf hoofdstukken van hooguit twintig bladzijden per stuk, één hoofdstuk per kind van haar oma Maria Zachea. Lang niet alles van wat de twaalf Koelemeijers vertelden pastte in het boek. Veel anekdotes moest ze laten liggen.

Judith zit in haar hoge bureaustoel, haar dochtertje Jana van zes maanden tegen zich aan, op de zolderkamer waar zij dag-in-dag-uit doet wat ze het liefste doet: schrijven, pielen aan zinnetjes, de juiste vorm vinden voor haar verhaal. Hond Pip ligt aan haar voeten, zijn kop onder het bureau.
Met de deadline van haar nieuwste boek in zicht, zijn Judiths uren kostbaar. Bijna twee boeken na ‘et zwijgen van Maria Zachea, ligt het verhaal over de totstandkoming van deze bestseller ver achter haar. Toch wil ik met haar terug in de tijd. Hoe rekende ze af met de standaard journalistieke aanpak van de vijf W’s, wil ik van haar horen. In welke valkuilen tuimelde ze? En hoe kwam ze daaruit? De eerste scène van mijn narratieve portret zat al ruim vóór het interview in mijn hoofd:

Louis Paul Boon
‘Iets knaagt aan de schrijfster als zij de printjes van hoofdstuk drie, versie twee, voor zich op tafel legt. Tevreden had ze deze vroege ochtend haar computer uitgezet. Eindelijk goed, dat hoofdstuk, morgen lekker verder. Ze heeft maar een paar regels gelezen als doordringt dat ze zichzelf voor de gek hield. Met een diepe zucht en een traan brandend in haar linker ooghoek, geeft ze haar bureaustoel een zet. ‘Dit ís geen verhaal, dit is zelfs nauwelijks een reportage. Ik geef het op.’
De gedachte biedt heel even rust. Tot een vervelende stem in haar hoofd haar terughaalt: ‘Hoe vertel ik het mijn vader?’
Die scène krijg ik niet op tafel. Wat ik ook probeer. Niet dat de schrijfster niet graag de lessen deelt die zij de afgelopen twaalf jaar geleerd heeft. Het schrijven van Het zwijgen van Maria Zachea was een worsteling, zegt ze meermalen. Ze wilde de waargebeurde geschiedenis vertellen als ware het een roman. Met personages, scènes, de ontwikkeling van een plot. Maar in die tijd kende ze geen voorbeelden van verhalende non-fictie. Ze ging te rade bij fictie met een meervoudig perspectief, zoals Menuet van Louis Paul Boon, en moest zelf het wiel uitvinden.
Die worsteling valt niet terug te brengen tot specifieke momenten, zegt ze ook. ‘Het was een proces dat zich afspeelde in mijn. Daar valt weinig aan te zien. Ik zou je niet aanraden om dáár een narratief verhaal over te willen schrijven.’ Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Gisteravond heeft ze opgeruimd, zo netjes is haar werkruimte meestal niet. Ze vindt het prettig dat haar kamer eigenlijk te klein is, zodat ze omring wordt door haar werk en alles wat haar daarbij helpt of iinspireert: het eerste manuscript van Hemelvaart, haar nieuwe boek; de plattegrond van Parikia het stadje op het Griekse eiland Paros waar dat zich voor een belangrijk deel afspeelt, boven haar bureau; de dagboeken, schriftjes, fotoalbums, boeken. Hemelvaart is een autobiografisch verhaal, over een tragische gebeurtenis in haar jeugd die veel invloed gehad heeft op haar leven. Judith gebruikt haar oude dagboeken en foto’s om haar herinneringen op gang te brengen. En dan nog weet ze niet precies hoe het allemaal gegaan is. De andere betrokkenen, die ze de afgelopen jaren opzocht, hadden allemaal een heel ander verhaal. Net zoals de kinderen van Maria Zachea zich dezelfde jeugd allemaal anders herinneren.

Scenario
De werking van het geheugen intrigeert de schijfster mateloos. Anna Boom, hoofdpersonage in haar gelijknamige tweede boek, verdringt de herinnering aan een ingrijpende gebeurtenis zo goed, dat ze die decennialang ook werkelijk kwijt is.

Hoe ik er ook naar vraag, het lukt Judith niet om zich een moment tijdens het schrijven van haar eerste boek te herinneren waarin ze tot wanhoop werd gedreven – in elk geval niet met zoveel details dat ik daar mijn hele verhaal aan op kan hangen. In plaats daarvan, neemt ze me mee naar een andere scène, uit de tijd dat ze nog bij de Volkskrant werkte, een paar jaar voordat ze begon met Maria Zachea, haar eerste kennismaking met het schrijven in scènes.

Samen met Vuk, haar vriend, filmmaker uit Sarajevo, zit Judith aan de lange voor het raam van haar appartement aan de Amsterdamse Rechtboomsloot, verwikkeld in een taalknoop. Samen schrijven ze het scenario van zijn tweede Nederlandse film, Het laatste Joegoslavische elftal. Avond na avond tot in de nacht, Vuks favoriete werktijd. Het raam staat meestal open, hoe koud het ook is, want Vuk rookt. Hij denkt in het Servisch, vertelt haar in het Engels wat hij in het scenario wil, zij schrijft dat in het Nederlands op, vertaalt haar tekst in het Engels om die aan hem te laten lezen en hij roept: ‘But that’s not what I mean! ‘Maar wat bedoel je dan wel?’ antwoordt zij en eindeloos discussiërend werken ze verder. Een deel van het scenario bestaat uit scènes, beeldende beschrijvingen van wat er in de film te zien zal zijn. En die schrijven het lekkerst, ontdekt ze.

‘Goed, dit was het materiaal,’ zegt ze en geeft me een uitpuilende ordner, de interviewteksten voor Maria Zachea, uitgetikt door Edith Verhulst van typebureau De Aanslag. ‘Ik zet thee, kan jij daarin neuzen.’
Hiermee begon het. In een eerste versie liet Judith alle geïnterviewden alles letterlijk vertellen, in hun kenmerkende eigen taal. Dat leek haar het mooist. Maar dat was het niet, het verhaal ging kabbelen, werd saai. Dus begon ze de citaten af te wisselen met scènes tot een hybride geheel. Bij Nico, nummer zes in de rij, halverwege het boek, zag ze dat het niet goed was en begon ze opnieuw.

Discipline
Weer waag ik een poging om Judiths leerproces in beeld te vangen.
Ik: ‘Wanneer was dat, waar was je, wat ging er door je heen?’
Judith: ‘Weet ik niet.’
Ik: ‘Ik heb een narratief verhaal beloofd, daar heb ik details voor nodig. Vandaar dat ik blijf zeuren.’
Judith: ‘Begrijp ik, dat doe ik ook altijd. Nu merk ik pas hoe moeilijk het is om die herinneringen boven te halen.’
Vuk komt binnen. Judith wendt zich tot hem. ‘Anke heeft de onmogelijke opdracht een narratief verhaal te schrijven over mijn schijfproces,’ vertelt ze man geamuseerd. ‘Dat is moeilijk’, erkent hij, ‘dat speelde zich af in je hoofd.’ Hij knikt me bemoedigend toe. ‘Eén scène zie ik al voor me.’ Hij ziet iets wat ik niet zie. ‘Judith, elke dag, van half tien ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds, uren aaneen, achter haar computer. Tikkerdetik. Ik kan dat niet, die discipline. Ik werk alleen als ik werken moet. Werk ik niet, dan werk ik ook.’ Hij maakt een draaiende beweging met zijn hand naast zijn hoofd. ‘Denken enzo.’

‘Je hebt een andere strategie nodig,’ zegt de filmmaker met een glimlach. Zoiets moet hij ook hebben gezegd toen Judith bij het hoofdstuk Nico niet meer wist hoe ze verder moest met Maria Zachea. Wat voor elk verhaal geldt, geldt nog meer voor kleine, weinig wereldschokkende verhalen, weet hij uit ervaring: ‘Je moet ze heel goed vormgeven, willen ze tot leven komen.’ Vuk was het die Judith het idee aan de hand deed om de oudste tantes en ooms in Maria Zachea over de jaren vijftig te laten vertellen en de jongsten over de jaren zeventig, zodat het verhaal een spanningsboog kreeg. Als journalist was ze daar zelf nooit op gekomen, erkent ze achteraf.

In de derde versie van het manuscript liet Judith de lange citaten helemaal los en schreef ze zoveel nogelijk in scènes. Daardoor voelde ze zich vrij. Haar vader was geen ‘ik’ meer, maar personage Piet met de rode sokken. Ze kon hem, als dat haar uitkwam voor het verhaal, in een weiland neerzetten en daar één van de vele gedachtes laten denken die hij haar had verteld. Vanaf dat moment ging het schrijven lekker.

Meestal dan. Het laatste hoofdstuk, over oom Guus, schreef ze in de caravan van haar ouders op de Veluwe, muziek van The Doors op de achtergrond, een feest. Jubelend steeg ze op. Om vreselijk hard neer te komen toen, als allerlaatste, het eerste hoofdstuk herschreven moest worden.

Kwartje
Weer was ze op een inspirerende locatie. Met laptop en Vuk werkte ze in een groot huis met uitzicht op de Limburgse heuvels. Maar tante Jo, een ‘altijd-is-alles-gezelligtype’, speelde haar parten. Als alles altijd gezellig is, heb je geen conflict, en zonder conflict geen verhaal. Judith kreeg het personage niet in haar greep, hoe ze ook schreef en herschreef. De paniek sloeg toe. Judith belde uitgeefster Ine Soepnel, die in een tentje op Terschelling zat. Toen zei Vuk: ‘Kom, we gaan het bos in.’ Ze wandelden en praatten. Hoe het kwartje viel, ze weet het niet meer. Maar de oplossing diende zich als vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon te vertellen hoe het was.’

In de trein terug blijft een gedachte aan me knagen. Judith en ik hadden door het park moeten wandelen, zoals we aanvankelijk van plan waren. Weer hoor ik Judiths stem door de telefoon toen we een afspraak maakten. ‘Het park is belangrijk voor me.’
Elke dag begint zij met een wandeling met Pip en Jana. In het park denkt ze na over de scène die ze die schrijven wil. Soms schieten haar zinnen te binnen. Terug thuis, waar de Peruaanse oppas wacht, haast ze zich naar boven. Eenmaal op zolder, leest ze hardop wat ze de vorige dag geschreven heeft. Een uur of twee herschrijft ze, daarna schrijft ze verder. Ik kwam ’s middags, dus na de ochtendwandeling. En ik was zo gespitst op die ene scène, dat ik niet op het parkplan terugkwam.

Hoe verder ik me verwijder van Judith en Vuk, hoe beter ik weet welke verhalen ik mis – niet alleen het moment waarop ze Maria Zachea niet meer zag zitten, ook de liefdesgeschiedenis van de schrijfster en de filmmaker, de kleuren van het park, het tragische voorval in haar jeugd. Op de kadans van de trein dreunen Judiths woorden door mijn hoofd: ‘Niet elk verhaal leent zich ervoor om in scènes te worden verteld.’
Thuis maak ik een wandeling in mijn ‘eigen park’. Hoe het kwartje valt, geen idee. Maar de oplossing dient zich vanzelf aan. ‘Soms maak je het nodeloos ingewikkeld voor jezelf. Dan moet je maar gewoon vertellen hoe het was.’

‘Ik ben Lynn, en niet alleen mijn hersenletsel’

Dit artikel schreef ik voor het Zorg+Welzijn 12, december 2010. 

Lynn Quekel zat op het gymnasium. Een hersenbloeding veranderde haar toekomst voorgoed. Individueel begeleider Rebecca Versteegen helpt haar een zelfstandig leven op te bouwen. Quekel: ‘Ik kwam in een wereld van mensen met wie iets mis is.’

001_RBIAdam-image-ZWZ16476I01 ‘Er is echt een soort klik tussen ons.’ Lynn Quekel zegt het terloops, als haar individuele begeleider en trainer Rebecca Versteegen even wegloopt. Het “toneelstukje” dat ze zojuist samen opvoerden voor de foto mag weinig representatief zijn voor hoe het gaat als Versteegen bij haar thuis komt, het geeft een indruk van de relatie tussen de twee. Een brief, toevallig van een stapel gepakt, over de bijeenkomst Vrouwen Hogerop, leidt aanvankelijk tot gegiechel. ‘Voordat ik die bloeding had dacht ik altijd: ik kom hogerop’, roept Quekel, 21 jaar. Ze zat op het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam, vierde klas gymnasium, toen zij een hersenbloeding kreeg. ‘Kun je dit lezen?’ vraagt haar begeleidster Lynns nauwkeuriger aandacht, wetende dat het haar moeite kost om te lezen en de kern uit het verhaal te halen. ‘Vrouwen verdienen voor hetzelfde werk gemiddeld minder dan mannen’, leest Quekel voor. ‘Is dat echt zo? Dat vind ik heel erg!’ ‘Wat doen we met deze brief?’, vraagt Versteegen. ‘Hij kan weg.’
‘Ik was aan het rennen voor gym en opeens liep ik mank’, vertelt Quekel over hoe het begon, ‘ik dacht wat is dat nou?’ Maar ik kon niet praten, niet voelen en bijna niet denken.’ De rechterhelft van haar lichaam was verlamd. Nu zijn haar rechterarm en -hand verlamd, maar kan ze wel weer beter lopen. Ze werd naar het ziekenhuis gebracht en twee weken later naar Revalidatiecentrum Amsterdam (RCA, nu opgegaan in Reade), waar ze vier weken bleef. ‘Ik kwam in een wereld van mensen waar iets mis mee is. Ik hoor daar niet bij, dacht ik, over een jaar is het over. Maar het ging niet over. Ik wilde zo snel mogelijk weer naar school. Uiteindelijk heb ik drie jaar geprobeerd mijn school af te maken. Maar ik kon mij niet concentreren en was snel moe. Pas sinds ongeveer anderhalf jaar denk ik: ‘Het is wat het is, hier moet ik het mee doen.’
Sindsdien komt Versteegen, werkzaam bij Heliomare, expertisecentrum voor niet-aangeboren hersenletsel in Amsterdam, tweewekelijks bij haar thuis. De systeemtherapeut van Heliomare, waar Lynns moeder al een tijdje onder behandeling was, adviseerde hen contact te leggen. ‘Lynn was in die tijd afhankelijk van haar moeder, die haar bij veel dingen hielp’, vertelt Versteegen, ‘terwijl ze in een fase zit waarin zij zich los wil maken van haar ouders.’ Maar ook mijn moeder wilde het anders’, zegt Quekel. ‘Die wilde weer eens andere dingen met me bespreken dan ‘Denk je eraan om dit en dat te doen?’. Ze wilde een gewone moeder-dochter-relatie.’
Versteegen studeerde fysiotherapie en kwam via een stage bij RCA voor het eerst in contact met cliënten met niet-aangeboren hersenletsel en werd daardoor geraakt. Later heeft zij binnen Heliomare verschillende cursussen gevolgd om zich inhoudelijk in de doelgroep NAH te kunnen verdiepen. Al haar cliënten zitten in de chronische fase. De revalidatie is voorbij, maar eenmaal thuis is geleidelijk aan gebleken dat het niet meer is zoals vroeger. Het geheugen kan aangetast zijn of iemand is veranderd van gedrag en van karakter. Vaak is het een partner of ouder die erop aanstuurt om hulp te zoeken bij het omgaan met die veranderingen.
Zoals zij met al haar individuele cliënten doet, maakte Versteegen met Lynn een dagbestedingsplan, van waaruit zij doelstellingen formuleerden. ‘Ik ga altijd uit van de vraag van de cliënt en de fase waarin hij of zij zich bevindt. Lynn is 21 en kijkt anders aan tegen de breuk in haar leven dan iemand die begin zestig is en bijna met pensioen zou gaan. Ze is bezig met zelfstandig worden. Op zichzelf gaan wonen hoort daarbij, maar ook uitgaan.’ ‘Dansen ja, en sjansen’, lacht Quekel. Sinds haar bloeding had Quekel twee korte relaties. ‘De zoektocht naar wat je wilt in een relatie hoort erbij op die leeftijd’, zegt haar begeleidster, terwijl Quekel knikt. ‘Ook daarover hebben we het soms tijdens de begeleiding. De doelen die we gesteld hebben ondermeer met praktische zaken te maken. In juli is Quekel op zichzelf gaan wonen. Versteegen helpt haar sindsdien met het structuren van haar administratie, zodat deze op orde blijft en zij rust, orde en regelmaat voor zichzelf behoudt.
‘Ik heb de neiging om alles zelf te willen doen’, legt Quekel uit. ‘Maar als ik een brief krijg waaruit ik begrijp dat ik iets moet doen, maar niet begrijp wat, dan beheerst dat mijn hele leven. Ik heb me aangeleerd moeilijke post opzij te leggen.’ Bij ieder bezoek kiest Quekel een poststuk uit dat ze bepreken. Ze verifieert bij haar begeleidster of ze de inhoud begrepen heeft. Soms blijven er dingen onduidelijk. Dan is het een optie dat de cliënte daarover gaat bellen. Soms doen ze een rollenspel om zo’n gesprek te oefenen.
‘Behalve twee interviews gaf Lynn kort geleden zelfs een presentatie in het Engels. Dat komt direct voort uit haar ontwikkeling in de afgelopen anderhalf jaar’ zegt Versteegen. ‘In het begin van de begeleiding had ze vaak moeite om woorden te vinden, vooral omdat ze zich nog niet helemaal op haar gemak voelde. We hebben een vertrouwensband moeten opbouwen, en Lynn heeft vaardigheden aangeleerd en geleerd uit ervaringen. Zo was ze net begonnen met een cognitietraining die ik geef toen zij een woning aangeboden kreeg. Ik zei dat ze ermee rekening moest houden dat er bij een verhuizing zoveel komt kijken dat ze waarschijnlijk geen energie zou hebben voor de training. Maar zij zei: ‘Ik ga het gewoon doen.’ Twee keer kwam ze niet en vroeg ik haar achteraf waarom. Na de derde keer dat ze er niet was kwam ze er zelf mee: de verhuizing alleen was al zwaar genoeg. Het durven toegeven dat de training toen teveel was, is een grote stap die Lynn heeft gezet. Lynn groeit met de dag. Ik heb daar veel bewondering voor en dat laat ik haar ook weten. Ik leg bewust de nadruk op succesmomenten, omdat ik merk dat Lynn opbloeit als ze een complimentje krijgt.’
Hoe ze haar toekomst ziet, kan Quekel niet zeggen, ‘maar ik weet dat ik de wereld wil laten zien dat ik Lynn ben, met mijn hobby’s, mijn vriendinnen, mijn goede en slechte eigenschappen en niet alleen mijn hersenletsel.’Voorlopig kan ze daarbij niet zonder haar begeleider. ‘Ik zou zo opgeslokt worden door dagelijks geregel dat ik de deur niet meer uit kwam. Dankzij haar kan ik ook het leven leiden van een eenentwintigjarige, dus af en toe lol hebben met mijn vriendinnen. Daar ben ik heel blij mee.’