De zoektocht die ADD heet

Op 1 november verscheen ‘mijn verhaal’ over ADD in zeven regionale dagbladen, dusdanig bewerkt dat ik mezelf er een beetje in kwijt was. Ik deed het werk van de eindredacteur dus over. Hierbij mijn echte eigen  verhaal.

20161111_091704_resizedBegin 2014 herinnert een psycholoog journalist Anke Welten eraan dat zij waarschijnlijk ADD heeft, een aandachtsstoornis. Het blijkt een belangrijke stap in een jarenlange zoektocht.

‘Mijn hoofd zit vol plannen. Ik denk alleen zo lang na over wat ik als eerste ga doen en waarom, dat er weinig uit mijn handen komt.’ Ik interview een man, dertien jaar jonger dan ik, die, net als ik, ADD heeft en regelmatig mediteert. ‘Nu lukt het me beter om te kiezen. Mijn plannen blijven niet in mijn hoofd hangen, maar ik doe er wat mee.’ Au. Ik hoor mezelf. Sinds vierenhalf jaar zit ik dagelijks twee keer twintig minuten op een meditatiekussentje en tel mijn uitademingen. Dat probeer ik althans. Nog voor ik bij drie ben, zijn mijn gedachten al ergens anders. Dat is normaal, vertel ik meditatiecursisten nu ik zelf in opleiding tot zenleraar ben. ‘Je neemt tijd om te kijken naar wat er in je hoofd gebeurt en doet daar even niets mee. Dat geeft vrijheid. Kun je straks zomaar besluiten iets anders dan anders te doen dan wat als eerste bij je opkwam.’

Ik schrijf dit verhaal in de beslotenheid van een zenschool, waar ik een week verblijf en extra veel mediteer. Even weg van mijn bureau vol stapels ‘to do’ die me afleiden, kan geen kwaad. Helemaal niet, nu ik twee plannen uitvoer die al twee jaar in mijn hoofd zitten: levensverhalen optekenen van andere volwassenen met ADHD en het verhaal optekenen van mijn eigen zoektocht naar wat mij helpt in de omgang met ADD. De afgelopen jaren interviewde ik vaker mensen met ADHD, waar ADD een variant van is, maar geen van die interviews werkte ik uit. Met deze ‘feest-der-herkenningsgenoot’ aan de lijn, weet ik weer waarom: hun verhaal confronteert me met mijn eigen vallen en opstaan, vanaf dat ik een dromerig schoolmeisje was, via de talloze nieuwe starten in banen, bij opdrachtgevers en in relaties, burn-outs, geldzorgen.

Betuttelende hulpverleners

Meer dan mijn eigen verhaal, gaan hun verhalen vaak ook nog eens over verkeerde diagnoses en behandelaars die daar jaren aan vasthouden, medicijnen die vooral depressief maken, betuttelende hulpverleners. Soms maken ze me vooral boos. En meer dan eens betrap ik mezelf op missiedrang: ‘Misschien moet je ook eens gaan mediteren.’ Sorry. Ik weet hoe vervelend het is als mensen je vertellen wat je moet doen.

Volgens de psychiatrie is ADHD een genetisch bepaalde afwijking in de manier waarop hersenen informatie verwerken. Alleen medicijnen kunnen daar echt iets aan veranderen. Gedragstherapie of coaching dienen hooguit om ‘ermee te leren leven.’ Onzin. Mediteren heeft mijn hersenen veranderd. Stilzitten was vijf jaar geleden ondenkbaar voor mij, nu lukt het me prima. Twee keer twintig minuten mediteren geeft me zelfinzicht èn oplossingen voor problemen waar ik tegenaan loop. Zo ontdekte ik, dat ik vrijwel continu to-do-lijstjes in mijn hoofd had, totdat ik besloot om voortaan vóór het mediteren zo’n lijstje op papier te zetten. Zo maak ik ruimte vrij voor andere dingen in mijn hoofd.

Wekelijkse groepslessen versnellen het proces. De huiswerkopdracht om een week ‘te zitten’ op ‘Welke vraag houd me het meeste bezig?’ maakte me duidelijk hoezeer ik in de overlevingsmodus zit. Niet de vraag ‘Hoe lever ik mijn bijdrage aan een betere wereld?’ of ‘Wat wordt het plot van mijn eerste roman?’ houd me een groot deel van de tijd bezig, maar ‘Hoe houd ik vol?’ Een pijnlijke ontdekking, te meer omdat ik op dat moment een leuke baan heb van twintig uur, met een salaris waar ik goed van leven kan – een luxe die ik als freelance journalist niet gewend ben en die de stress van geldzorgen naar de achtergrond deed verdwijnen.

Die baan was alweer even voorbij en de bodem van mijn spaarpot in zicht, toen ik in 2014 aanklopte bij een psycholoog. ‘Ik moet werk zoeken maar ben niet vooruit te branden’, vertelde ik. ‘Dat klinkt als ADD’, zei hij. ‘Je hebt veel stress nodig om in actie te komen, maar tegelijk ben je gauw gestresst en moe. Dat is waar ook, schiet me te binnen. Een andere psycholoog had dat tien jaar eerder ook al eens tegen me gezegd. Toen wist ik me daar geen raad mee en vertrok voor onbepaalde tijd naar Argentinië. Nu is het een opluchting. Eindelijk weet ik waar ik het zoeken moet.

Wat je aandacht geeft groeit

Of ik voel voor medicijnen, vroeg de psycholoog en somde de te verwachten effecten op: betere concentratie en focus, makkelijker prioriteiten kunnen stellen. ‘Precies wat ik aan meditatie heb, maar dan zonder nare bijwerkingen’, zeg ik. Hij reageerde lacherig en gaf me planningstips: ‘als je nu elke vrijdagmiddag vrijhoudt voor je mail?”en ‘Plan telefoontjes in je pauzes.’ Denkt hij werkelijk dat ik – toen 43 – niet al honderdduizend van dat soort tips gehad heb? En dat die, tot mijn grote frustratie, niet werkten? Ik besluit te zoeken naar een hulpverlener die mij serieus neemt, inclusief mijn streven om eigen oplossingen te vinden.

‘Verspil je energie niet aan dingen leren waar je niet goed in bent’, zegt coach Anja Bijker maanden later bij het ADHD-centrum. Ik volg daar een training op basis van neurolinguistisch programmeren, NLP, speciaal voor ‘mensen met een vol hoofd.’ ‘Wat je aandacht geeft groeit. Ga je keihard proberen om beter te leren plannen, dan zal je vooral zien dat je veel moeite hebt met plannen. Besteed je aandacht dus aan dingen waar je energie van krijgt, dan wordt je moeite met plannen vanzelf minder belangrijk. Grote kans dat ze juist daardoor minder moeite meer kosten.”

Maar waar krijg ik energie van? Schrijven. Dat helpt me mijn gedachten te ordenen en ik krijg vaak complimenten voor het resultaat, dus doet mijn zelfvertrouwen goed. Maar tegelijk heb ik er juist tijdens het schrijven last van dat ik snel afgeleid ben en vecht ik keer op keer met deadlines.

Misschien heeft dat ook met iets anders te maken, suggereerde Anja ‘Noem eens iets dat je graag zou willen doen en steeds uitstelt.’ ‘Een boek schrijven.’ ‘En waarom doe je dat niet?’ ‘Geen tijd, te druk, eerst moet er brood op de plank.’ Ze herhaalde de vraag, totdat er geen antwoorden meer kwamen. Zo stuitte ik op overtuigingen die ik me ooit eigen gemaakt had en die me meer dwars zaten dan welk afwijkende stofje in mijn hersenen ook: ‘bang dat ik het niet af maak’, ‘bang dat het niet lukt’ en, na bijna een minuut stilte, ‘Ik ben bang voor straf. Ook als ik zelf vind dat ik het goed doe. Alles wat ik doe kan tegen me gebruikt worden.’

Nogal wiedes dat ik niet vooruit kom. De ontdekking dat ik verlamd word door een angst voor straf, deed mijn hart bonzen, zo hard dat mijn hele lichaam trilde. Net als Anja’s vervolgvraag: ‘Wat als de overtuiging, dat alles tegen je gebruikt kan worden, een belachelijke gedachte is?’ Dat gaf ruimte. Net als de oefeningen en vragen om erachter te komen wat mijn belangrijkste doel en drijfveren zijn. ‘Natuurlijk kun je proberen je omgeving aan te passen, en bijvoorbeeld een werkplek te zoeken waar je niet afgeleid raakt’, hoor ik Anja weer zeggen terwijl ik in de afzondering van de zenschool doortik aan dit artikel, ‘maar of je daar gelukkig van wordt? Weten wat je echt wilt, maakt het makkelijker om keuzes te maken.’ ‘Ik wil doen waar ik goed in ben en wat mij gelukkig maakt, zodat ik als vanzelf ook anderen gelukkig maak.’ Ik heb het nog niet uitgesproken, of het voelt alsof ik tien centimeter gegroeid ben.

Zenleraar

Dat inspireert me verder te ontwikkelen in zen en het lesgeven daarin. Eerst volg ik een opleiding tot mindfulnesstrainer en begin daarna een opleiding tot zenleraar. Mindfulness leert me hoe gedachten, emoties en fysieke gewaarwordingen elkaar direct beïnvloeden. Ik moet onder ogen zien dat ik vaker negatief over mezelf denk dan ik dacht. Maar de vraag ‘Wat als dit een belachelijke gedachte is?’ verdwijnt naar de achtergrond. Het eerste artikel dat ik na de NLP-training schreef, leverde ik dusdanig te laat in, dat het niet meer kon worden gepubliceerd. Dat schoot niet op. Het koste me moeite om de positieve energie vast te houden, merk ik.

Een vriendin wees me op een speciaal dieet voor mensen met AD(H)D: zou dat een bijdrage kunnen leveren? Zij dacht van wel. Dus at ik minder zoet, vet, brood en aardappelen en meer groente, fruit en vis. Ik viel af en voelde me fitter. Maar toen ik chagrijnig werd toen een vriendin me taart voorschotelde, wist ik dat dit niet mijn pad is. Ik besluit te doen waar honderdduizenden mensen met ADHD bij zweren: ik haalde een recept voor ritalin.

Het voelde als capitulatie. Maar al binnen een half uur voelde ik een onbekende ontspanning. Ik was niet meer bang dat wat ik die dag wil doen niet lukken ging. Een paar dagen later was het Oud&Nieuw. Ik had lange dagen doorgewerkt om artikelen af te krijgen, weinig geslapen, dronk een paar wijntjes en was tot lang na de jaarwisseling fit. Dat had ik in geen jaren meegemaakt. Ik kon het nauwelijks bevatten. Zou dit gevoel voor anderen ‘normaal’ zijn?

De pret duurde twee maanden. Met medicijnen voelde het overbodig om pauzes te nemen, te mediteren, gezond te eten en andere dingen te doen waarvan ik met veel moeite geleerd heb dat ze me helpen om ‘het vol te houden.’ Het was alsof ik veertig jaar achterstand mocht inhalen. Ik ging harder werken. Dat eiste zijn tol. Ik ging slechter slapen, kreeg tintelingen in mijn benen, handen en voeten. Ze werden zelfs blauw. En jawel, daar kwamen ze, als in de bijsluiter voorspeld: hartkloppingen.

De pillen dankbaar

‘Helpen de medicijnen?’ informeerde de huisarts toen ik haar vroeg mijn bloeddruk te controleren. ‘Want zo ja, dan kun je besluiten de hartkloppingen voor lief te nemen.’ Dat doe ik niet. Nog niet. Eerst maar eens herstellen en zien wat er gebeurt. Wat schetste mijn verbazing: de tintelingen en hartkloppingen verdwenen, maar de angst ‘dat het niet lukt’ bleef uit. Blijkbaar hielpen de medicijnen me om de afstand te nemen die ik nodig had om de verlammende mantra ‘het zal wel weer niet lukken’ te doorbreken. Het is de vraag of ik die afstand zo had kunnen benutten zonder het dagelijkse mediteren, de training bij het ADHD-centrum, mijn mindfulnessopleiding en de coaching die ik vanuit mijn zenopleiding krijg. Maar doet dat ertoe? Ik ben ze dankbaar, die pillen. Ook zes maanden later, als het laatste doosje dat ik aanbrak nog onaangetast in het medicijnkastje staat.

Soms is hij er weer, de verlamming die ik voel als ik iets doe wat voor mij belangrijk is. Zoals toen ik dit artikel schreef. De versie die ik daags na de deadline inleverde, was honderden woorden langer dan afgesproken. Pas maanden later verscheen het in de krant, dusdanig bewerkt dat ik mezelf er soms in kwijt ben. ‘Onderzoek wat er gebeurt’, moedigde mijn zenleraar me aan terwijl ik op de voorlaatste versie zat te zwoegen. ‘Als je het ene verhaal makkelijk schrijft en het andere verlamt je, dan is daar iets mee.’ Dat deed ik. En schreef na publicatie gewoon een nieuwe versie.

Welkom! en De kracht van het kleine verhaal

Eerlijk is eerlijk, ik heb er wel eens pronkstuklacherig over gedaan, ‘mijn’ rubriek in het AD Rotterdams Dagblad, Pronkstuk. ‘Mijn’ tussen aanhalingstekens omdat ik hem om de week schrijf en hij dus ook van collega-freelance journalisten is. Zo klein, zo simpel, zo ‘wat stelt het nou helemaal voor?’.

Daar ben ik helemaal van terug. Ik houd van het Pronkstuk, zoals de mensen die ik in die rubriek portretteer houden van het onderwerp waar ze mij in kleuren en geuren over vertellen. Soms trots, vaak bescheiden. Laten dat nu vaak de mooiste verhalen zijn. Verhalen waarin het kleine voor het grote staat. Zoals Peter Beniest over zijn zelfgemaakte ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur en Kees Strijk over zijn kopie van Picasso’s Het hoofd van de Harlekijn, een van de zeven schilderijen die in 2012 werden gestolen uit de Rotterdamse Kunsthal en later door hem gekopieerd. Beide verhalen gaan ook over eigenzinnigheid, geduld, doorgaan na tegenslag, vakmanschap, toewijding en schoonheid.

Werkplaats moet echt zijn

AD Rotterdams Dagblad, 4 september 2015

Werkplaats moet echt zijn

Elk woonhuis heeft zijn eigen pronkstuk. In deze rubriek vertellen bewoners over hun trots. Vandaag: de timmerwerkplaats in miniatuur van Peter Beniest uit Rotterdam.

Werkplaats moet echt zijnTwee werkplaatsen heeft Peter Beniest in zijn hobbykamer. Een ‘gewone’, met alles wat hij nodig heeft en zijn pronkstuk, een ouderwetse timmerwerkplaats in miniatuur. Gemaakt met behulp van de draaibank en de ‘moorddadige’ dremel, waar hij fijn tot heel fijn slijp- en schuurwerk mee verricht. Negen houtklemmen, twintig beitels, zes houtvijlen, een paar schaafies’, zagen, hamers en gutsen fabriceerde hij onder andere voor zijn miniatuurwerkplaats, pronkstuk vanwege de liefde waarmee hij hem maakte. In het Oude-ambachten-en- speelgoedmuseum in Terschuur zag Peter zo’n oude werkbank staan, die hij romantisch vond en deed denken aan zijn tijd op de Technische School. ,,Wat mooi”, dacht hij en besloot er net zo een te maken in het klein.
Geschikt hout heeft Peter altijd op voorraad, van meubels uit het grof vuil, uit de erfenis van een bevriende orgelbouwer of van boomtakken. De plank die hij voor het miniwerkblad gebruikte was perfect van maat en als nieuw, maar hij zaagde hem tot drie planken, plakte die aan elkaar en verfde ze, ,,want het moet echt lijken.” Vervolgens maakte hij de eerste stukkies gereedschap. Hoe? ,,Dat is mijn geheim”, lacht hij, om vervolgens een stukje oude ijzerzaag tot minizaagje te bewerken. Met het slijpen van het beukenhouten handvat en het monteren erbij is dat normaal een klus van een half uur, maar dit proefexemplaar – niet goed genoeg – kost hem hooguit tien minuten. De beitels maakt hij van platgeslagen spijkers. Zijn collectie is zo uitgebreid dat hij er in het echt prima mee uit de voeten zou kunnen.
Hout bewerken is een van Peters vele talenten, de miniatuurwerkplaats een van zijn vele meesterwerken. Her en der in huis prijken ook aardige zelf geschilderde ‘Hollandse Meesters’, een Middeleeuwse draailier die hij renoveert en een modelschip – ,,een jarenproject”, waaraan hij begon ruim voordat hij in 2012, op zijn 59e, vlak na de verhoging van de AOW-leeftijd, na veertig dienstjaren ontslagen werd bij de RET.
Dat hij ontslagen werd, was niet leuk en het AOW-gat baart hem zorgen. Maar”, zegt hij kijkend naar de kleine werkplaats, ,,ik heb nu wel tijd voor dit soort dingen.”

Blijven luisteren

oorBijzonder, hoe de schone lei van deze nog vrijwel lege website me een nieuwe blik geeft op zowel mijn ‘oude’ als mijn recente werk. Zoals dat ik me, met elk artikel dat ik hier plaats, meer realiseer hoe zeer ‘luisteren’ als onderwerp een rode draad wordt in mijn werk. Dusdanig, dat mijn workshop Schrijven met Aandacht, met een klein accentverschil, ook Luisteren met Aandacht had kunnen heten. Aan een goed verhaal, zeker een goed journalistiek verhaal, gaat mijns inziens namelijk goed luisteren vooraf. Op meerdere niveaus. Het eerste: luisteren in de zin van ‘erbij zijn’ op het moment dat je je, al interviewend, lezend en kijkend, voorbereidt, zodat je, als journalist-schrijver, tijdens het schrijven niet al teveel moeite moet doen om het verhaal terug te halen, of het risico loopt om (interpretatie-)fouten te maken. Het tweede: luisteren in de zin van inlevend luisteren, luisteren naar de stiltes, naar de woorden achter de woorden van degene die je interviewt, naar datgene wat iemand werkelijk wil overbrengen, zelfs al vindt hij of zij zelf daar de woorden nog niet voor. En daarbij ondertussen nooit volledig te vertrouwen op je eigen interpretaties en aannames, maar deze keer op keer te checken.

Vandaag ‘luister ik’, al schrijvende aan mijn nieuwste Zorg+Welzijnartikel, naar een flink aantal geestelijk verzorgers die ik de afgelopen tijd geïnterviewd heb, van wie ik me pas sinds kort realiseer dat zij beroepsluisteraars zijn. En denk terug aan de eerste Nederlandse beroepsluisteraar bij wie luisteren in de functietitel zit, Chief Listening Officer, Corine Jansen. Zij luistert uren en uren naar mensen die, voor zichzelf of een naaste, in het ziekenhuis komen en hoort wat dokters zich vaak niet realiseren. Ik interviewde Corine begin dit jaar en schreef over dit artikel over haar: ‘Goede zorg begint met luisteren.’ Veel van wat zij mij toen vertelde, zou mij inmiddels, al die interviews met geestelijk verzorgers verder, minder verbazen dan toen. Wat ervoor pleit om keer op keer te blijven luisteren. Elk verhaal is immers anders.

Waar journalistiek en zorg elkaar raken

20150827_155117Kom ik thuis van een laatste overlegje over Schrijven met Aandacht, ligt daar het septembernummer van Zorg+Welzijn. In juni en juli schreef ik daar twee artikelen voor: een aflevering van de rubriek Zo doe je dat, waarin ik maandelijks een adviseur van ‘uitvoerend professionals in het sociale domein’ aan het woord laat over een herkenbare casus uit zijn of haar praktijk en het artikel ‘Meer ruimte voor mezelf en mijn cliënten’ over mindfulness voor sociaal professionals.’ Meestal ben ik tegen de tijd dat het blad verschijnt al met zoveel andere dingen bezig geweest dat mijn artikelen oud voelen. Maar vooral het tweede artikel voelt nu nog dichtbij.

Ik heb er wat moeite voor moeten doen om de redactie ervan te overtuigen dat het er komen moest (‘is mindfulness niet de zoveelste hype? We willen meer horen dan ‘ik voelde me zoveel meer ontspannen’). Maar uiteindelijk kreeg ik de luxe om te schrijven over een vakgebied dat ik me aan het eigen maken ben: afgelopen voorjaar haalde ik mijn certificaat van de basisopleiding tot mindfulnesstrainer. Zoals het er nu naar uitziet, geef ik vanaf oktober mindfulnesstrainingen, ter aanvulling op mijn journalistieke werk. Juist in de wereld van zorg en welzijn, waar ik al anderhalf decennium veel over schrijf, is mindfulness populair. Dat is niet zo vreemd, citeer ik professor Anne Speckens, directeur van het Radboud Centrum voor Mindfulness, ‘Het zijn sectoren met een hoog risico op burn-out, dus veel mensen beginnen eraan om burn-out te voorkomen of ervan te herstellen. De oefeningen in de mindfulnesstraining helpen mensen om zichzelf en hun reactiepatronen te herkennen èn om open te staan voor dingen die moeilijk zijn. Dat is allebei heel belangrijk, zowel voor de professional, die vaak geneigd is zichzelf te vergeten, als voor zijn relatie met de cliënt of patiënt.’ Mindfulness helpt tegen stress en het helpt je luisteren naar jezelf en de ander. Ook in de journalistiek is dat van grote waarde.

Om auteursrechtelijke redenen kan ik beide nieuwe artikelen nog even niet op mijn site plaatsen. Daarom hierbij twee artikelen uit mijn lange Zorg+Welzijnverleden: ‘Ik ben Lynn, en niet alleen mijn hersenletsel’ over, ja, waar werkelijk luisteren, bijvoorbeeld dankzij mindfulness, professional en naasten aan kan helpen herinneren, en de eerste editie van Zo doe je dat, Boos team: Geen uren voor verjaardagsvisite.

De schrijver over haar schrijfproces

Deze weken staat mijn leven grotendeels in het teken van de workshop Schrijven met Aandacht, die ik op vrijdag 28 en zaterdag 29 augustus verzorg met tekstschrijver en schrijftrainer Manon Kleijn. En denk ik terug aan mijn interview met schrijfster Judith Koelemeijer, over de totstandkoming van haar bestseller Het zwijgen van Maria Zachea. Waar mijn workshop over aandacht gaat, gaat dit artikel goeddeels over het geheugen. Hoe schrijf je iemands verhaal, als die persoon het zich zelf nauwelijks herinnert? ‘Soms moet je maar gewoon vertellen hoe het was.’

Gestolen en toch bij elkaar

AD Rotterdams Dagblad 5 juni 2015

Elk woonhuis heeft zijn eigen pronkstuk. In deze rubriek vertellen bewoners over hun trots. Vandaag: de zelfgeschilderde Picassokopie van Kees Strijk uit Oud-Beijerland.

Gestolen en toch bij elkaarKees Strijk las het in de krant van 16 oktober 2012: zeven schilderijen gestolen uit de Rotterdamse Kunsthal. ,,Onvoorstelbaar”, vindt hij. Tegelijk zo bijzonder, dat hij de wist waar hij de komende tijd dagelijks mee bezig zou zijn. Hij zocht op internet afbeeldingen van alle zeven schilderijen, projecteerde die op doeken en begon ze te kopiëren. Over het resultaat is hij te spreken. ,,Mijn bruggen zijn strakker dan die van Monet. Wat niet wil zeggen beter. Hoe Monet licht in zijn schilderijen kreeg, is zo onvoorstelbaar knap.” En wat Picasso’s ‘Het hoofd van de harlekijn’ betreft, het origineel van Strijks pronkstuk: ,,dat komt duidelijk uit het hoofd van iemand die wil afwijken van het bestaande. Hoe kom je erop om iemand zo belachelijk af te beelden? Waarom zit het rechteroog hoger dan het linker? Het is een clown die mensen moet vermaken, maar zo een zielige figuur. Een mooie vrouw mooi schilderen is ook knap, maar dit is anders. Dit moet je maar bedenken. Picasso bedacht dat en ik niet. Daarom was hij een kunstenaar en ben ik een geoefend amateur.
Strijk schildert al bijna een halve eeuw. Al jaren legt hij zich toe op het kopiëren van schilderijen van bekende kunstenaars. ,,Het is een goede manier om mijn techniek te verbeteren en op peil te houden. En dat doe ik, omdat je, als je techniek beheerst, heel veel kunt schilderen. Ook als je geen kunstenaar bent.” Of hij een schilderij mooi vindt, is niet het belangrijkste criterium om het na te maken. ,,’De vrouw met de gesloten ogen’, van Lucian Freud, dat ook gestolen werd, vind ik niet echt een mooi schilderij. Maar door het na te schilderen heb ik er meer respect voor gekregen.”
Strijk schildert zoveel, dat vrijwel iedereen om hem heen wel schilderijen van hem in huis heeft. Maar de kopieën van de zeven gestolen schilderijen doet hij niet gauw weg. ,,Ik vind het bijzonder dat de schilderijen er niet meer zijn en ik ze toch heb. Alle zeven bij elkaar. Alleen als iemand ze allemaal wil, zal ik erover denken.”

Boos team: Geen uren voor verjaardagsvisite

Dit artikel schreef ik voor het Zorg+Welzijn, april 2015. 

Er was veel te bespreken in het boze team in de verstandelijk gehandicaptenzorg, waar Astrid Buis als interim-manager terecht kwam. Eén maatregel zorgde voor regelrechte verontwaardiging: de medewerkers mogen niet meer bij klanten op verjaardagsvisite gaan.

001_rb-image-1752274‘Wat zou de achtergrond van deze instructie zijn’, vroeg Buis de teamleden. En: ‘Waarom vinden jullie het zo erg?’ Wat bleek: geen therapeutische overwegingen of vriendschappelijke gevoelens lagen ten grondslag aan de gekoesterde gewoonte om bij cliënten op verjaardagsvisite te gaan, maar de overtuiging ‘je kunt mensen op hun verjaardag toch niet alleen laten zitten?’

Uitnodigen

‘Al pratende werden we het er al snel over eens dat “voorkomen dat iemand op zijn verjaardag alleen is” het uitgangspunt moest worden’, vertelt Buis. ‘We bespraken hoe de teamleden zouden onderzoeken waarom cliënten, behalve vanuit de instelling, geen verjaardagsvisite kregen. Weten de cliënten hoe je mensen uitnodigt? Wat is een haalbaar programma?

Dagbesteding

Koffie met gebak leek beter te organiseren dan een borrel. Welke mensen uit de omgeving kunnen de jarige helpen? Wie wil hij eigenlijk uitnodigen?’ Twee maanden later trof Buis het team opnieuw. ‘Meerdere cliënten hebben inmiddels zelf hun verjaardag gevierd, vertelden de medewerkers opgetogen. Ze hebben veel geleerd en zijn ontzettend trots op en blij met hun zelfgeorganiseerde verjaardag. Sindsdien nodigen cliënten ook op andere momenten mensen bij hen thuis uit, onder wie “collega’s” van de dagbesteding, en buren.’